uit de Consistorie

                                   donderdag 13 januari 2011

 Omhoog
Historie Consistorie

 

 

Kerkdienst bekeken (7)

‘... en dat zingen wij stáánde’

We zijn allengs meer gaan zitten, tijdens de zondagse eredienst. In de vroege kerk stonden de kerkgangers van het begin tot het eind. Wie staat, is actief, alert, waakzaam, en beleefd.

Ko Joosse

 

Hoe zit het nu eigenlijk met het opstaan en gaan zitten in de zondagse kerkdienst? De meeste diensten worden zittend doorgebracht. Alleen aan het begin en aan het eind gaan we staan. Past dat eigenlijk wel: zitten? Zou je ook tijdens de dienst kunnen gaan staan?

Staan of zitten. Een lichaamshouding is niet onverschillig, zeker niet in de ere­dienst. Wat drukken onze houdingen van staan of zitten eigenlijk uit? Hoe deden

ze het vroeger? En hoe zouden we er nu in onze tijd mee kunnen omgaan?

Leunstoel

De meest voorkomende praktijk in pro­testants Nederland is dat de gemeente gaat staan voor het intochtslied. Daarna volgen bemoediging en groet en gaat de gemeente zitten. En blijft zitten. Alleen als er voor een pas overleden gemeentelid een gedachteniswoord klinkt, willen we ook nog gaan staan. Ten slotte staan we dan weer voor het slotlied en de zegen. Nu ‘predestineert’ de inrichting van veel kerkgebouwen ook tot bijna niets anders dan zitten, volgestouwd als ze immers zijn met banken en stoelen.

Maar laten we eens over onze eigen gren­zen heenkijken. Wie op zondag in een klein dorpskerkje in Frankrijk een viering meemaakt van de plaatselijke parochie, zal gedurende het grootste deel van de dienst staan. Men zit eigenlijk alleen tijdens de eerste en tweede lezing, de preek en tijdens de collecte en de communie.

In het Oosten is de praktijk nog anders. In een Grieks- of Russisch-orthodoxe kerk staan de gelovigen gedurende de gehele - altijd langdurige! - dienst. Slechts een enkeling die het niet kan opbrengen, zit of hangt in een soort leunstoel tegen de mu­ren van de kerk. Wie te moe wordt van het staan, gaat naar buiten om daar even ont­spannen op een bankje te zitten, terwijl de viering binnen gewoon doorgaat.

Bittere kruiden

Hoe deden ze het vroeger? Wat zegt de Schrift ons over houdingen? Opvallend is dat de Bijbel aangeeft dat men tijdens het gebed meestal stond. Als Abraham voorbede doet voor de stad Sodom, staat hij voor de Eeuwige (Gen. 18:22). Hanna die in de tempel van Silo bidt om een zoon, doet dat staande (1 Sam. 1:26). Koning Salomo staat bij de inwijding van de tempel met geheven handen voor het altaar, als hij zich ten overstaan van heel het volk tot God richt (1 Kon. 8:22). Staande eet men het lam, de ongezuurde broden en bittere kruiden tijdens de paasmaaltijd, ter gedachtenis aan de uittocht uit Egypte (Ex. 12:11).

Ook voor de eerste christenen is staan de normale houding bij het gebed en de samenkomst van de gemeente (zie onder andere Mat. 6:5; Mar. 11:25; Luc. 18:11, 13; 22:46). Wanneer Johannes in het boek Openbaring beschrijft hoe de hemelse eredienst plaatsvindt, ziet hij de uitverko­renen staan voor de troon van God en voor het Lam (7:9; 15:2).

Knielen verboden

Al vroeg in de geschiedenis van de kerk wordt het staan tijdens de eredienst in verband gebracht met de opstanding van de Heer zelf. Staan is een paashouding en een teken van vrijheid. ‘Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft en laat u niet weer een slavenjuk opleg­gen,’ zegt de apostel (Gal. 5:1). De kerkva­der Tertullianus (± 160-± 230) schrijft dat christenen op zondag staan en gedurende de gehele paastijd, om vol vreugde de opstanding te vieren. Knielen was in die tijd zelfs verboden. Het Concilie van Nicea (325) bekrachtigt dit voorschrift nog eens. Johan­nes Chrysostomos (± 345-407) stelt dat staan de geëigende houding is voor de liturgie. Staan als liturgische houding is ook een verwijzing naar Christus’ wederkomst, omdat het waakzaamheid en verwachting uitdrukt. Wie verlangend naar iemand uitziet, doet dat doorgaans niet zittend, maar staande. De gedoopte christen is

met Christus opgestaan en zijn leven is er voortaan op gericht om Hem tegemoet te gaan als Hij komt.

Bij de viering van de eucharistie worden de aanwezigen rond het altaar de circumad­stantes genoemd: degenen die eromheen staan. Op afbeeldingen uit die eerste eeu­wen in de catacomben en op sarcofagen is dat ook te zien.

Moeilijk en onverstaanbaar

In de middeleeuwen raakt het staan in de liturgie grotendeels in onbruik. Gelo­vigen participeerden nauwelijks meer aan de liturgie, omdat die moeilijk en onverstaanbaar was geworden. De meest voorkomende liturgische houding werd knielen. Tijdens de mis baden kerkgangers hun eigen gebeden. Alleen bij het binnen­komen en uitgaan van de clerus en tijdens het evangelie stond men. In de rooms-katholieke traditie bleef dat zo tot zo’n veer­tig, vijftig jaar geleden. In de kerken van de Reformatie werd zitten de algemeen heersende liturgische houding, zij het dat bevindelijke kerken de gewoonte kennen dat mannen staan tijdens het gebed.

We zijn gewend aan een ‘zittende liturgie’, maar de vraag is of dat nu eigenlijk wel de bedoeling is.

Wegrennen

Misschien is het goed om nog wat nader stil te staan bij de betekenis van staan en zitten. Wat drukken deze houdingen uit? Staan is in ieder geval actief. Als je staat,

ben je alert. Mocht er iets gebeuren, dan kun je zo wegrennen. Staan is, zoals al gezegd, een houding van waakzaamheid. ‘Je staat op wacht’ is de uitdrukking. Staan drukt verder zelfbewustheid uit, autono­mie. Staande heb je een goed overzicht over de situatie. In veel culturen is staan ook een houding van eerbied. Als iemand op bezoek komt en je wilt die ander begroeten, dan ga je staan. Opstaan doe je zeker voor belang­rijke personen. Stel je voor dat op Prinsjes­dag de koningin de Ridderzaal binnenkomt en alle volksvertegenwoordigers zouden blijven zitten... Staan is ten slotte een houding van waarachtigheid. Het woord ‘oprecht’ verwijst daarnaar.

Zitten is een houding die rust, bezin­ning en concentratie uitdrukt. Zitten is de aangewezen houding om te luisteren. Zitten is ook een uitdrukking van gezag.

Iemand die een vergadering leidt, noemen we een voorzitter. Je zit in een commissie. Rechters spreken recht vanaf een rech­terstoel. In een kathedraal zit de bisschop op zijn cathedra, zijn bisschopszetel. En preken gebeurt vanaf een preekstoel! Het woord alleen al wijst erop dat preken vroe­ger zittend gebeurde. Jezus onderrichtte de mensen meestal zittend, zie het begin van de Bergrede (Mat. 5:1). Als Hij in de synagoge van Nazaret uit de boekrol heeft voorgelezen, gaat Hij zitten voor de uitleg(Luc. 4:20). Maria luisterde zittend naar Jezus’ woorden (Luc. 10:39).

Het wekt dus geen verbazing dat in de Reformatie met haar liefde voor het Woord en de preek het zitten alle nadruk kreeg. Overigens, het waren de lange preken die er­voor zorgden dat in onze kerkgebouwen de banken kwamen (in de late middeleeuwen).

Op je krent

Maar vieren we de eredienst wel op een juiste wijze als we slechts ‘gezeten’ mensen zijn? Zou het ook anders kunnen? Een belangrijke vraag die we dan moeten beant­woorden is: Hoe zien we God eigenlijk voor wiens aangezicht we elke zondag verschij­nen? Als we in het gewone dagelijkse leven gaan staan voor iemand die veel voor ons betekent, zouden we dat dan níet doen als we Hem aanspreken die we de Allerhoogste noemen? Kun je wel waarachtig tot God bidden als je alleen maar gemakkelijk ‘op je krent’ zit? We zouden minstens kunnen gaan staan bij de gebeden, de voorbede en het tafelgebed. Het merkwaardige van hou­dingen is dat ze ook iets met je dóén. Van knielen wórd je deemoedig, zitten máákt aandachtig en wie staat, wórdt vanzelf eerbiedig en alert en vrij.

Zitten doen we dan als we luisteren, naar de schriftlezingen en naar de preek, tijdens de collecte en, als er avondmaal gevierd wordt, na de gemeenschap van brood en wijn. Je kunt nog van mening verschillen over de vraag of je ook tijdens de evangelielezing moet gaan staan. Veel christenen vinden dat gepast, omdat in het evangelie de verrezen Heer zelf tot ons spreekt. Als we onszelf echt als paasmen­sen mogen beschouwen, waarom zouden we de Opgestane dan niet recht staande ontmoeten? Maar de behandeling van deze vraag vergt weer een andere discus­sie: hoe ervaren we de aanwezigheid van Christus in onze eredienst?

 

 

Kerkdienst bekeken (6)

De nagedachtenis voor Gods aangezicht

God besteedt veel werk aan ons leven. Zonder zijn verlossende hand is ons leven verloren in schuld. Tijdens de voorbede ter nagedachtenis van een overledene, beseffen we dat eens temeer.

E

Tekstvak: en poos geleden spraken jonge mensen in een kring over de kerkdienst. Ze wilden wel eens nadenken daarover, want ze vonden het wat eentonig worden. Wat zou anders kunnen, wat voor nieuws kan erbij en wat zouden we kunnen missen? Wat ze níet konden missen, waren de gebeden voor mensen en gebeurtenissen. En dat we in de kerk gaan staan, als iemand overleden is. Dat er een bijbelgedeelte genoemd wordt en iets verteld

over die persoon, hoe geleefd en geloofd is.

Dat vonden ze allemaal erg belangrijk. En dat het wat minuten langer duurde, vond niemand een doorslaggevend bezwaar.

 

Ontferm U

We bidden in de kerk voor de vrede en het recht en voor de gerechtigheid tussen bevolkingsgroepen en landen. In het ky­riëgebed en bij de voorbeden na de preek

komen deze onderwerpen vaak ter sprake. Maar als we onze blik laten glijden over het kerkelijk erf, zien we mensen met hun lotgevallen. Het oog van de Goede Herder oefent ons oog om met ontferming te kij­ken. Wie ontferming kent in bijbelse zin, weet van het kyriëgebed: Heer, ontferm U. Zo groeit het gebed voor hen die in verdriet leven, die te maken hebben met gemis, gebrek en teleurstelling.

In de kerk mag het in memoriam (de nagedachtenis) coram Deo (voor Gods aangezicht) beleefd worden. De gemeente mag ervaren dat we staan voor dat won­derlijke geheimenis, dat tijd overgaat in eeuwigheid. Dat het sterfelijke raakt aan het bekleed worden met onsterfelijkheid (1 Kor. 15). Het is goed dat een gemeente met jong en oud (vier generaties) hiermee vertrouwd wordt gemaakt.

Het brengt ook kleur in de kerkdienst, per­soonlijk en geloofsmatig. Genoemd wordt hoe iemand vorm heeft kunnen geven aan het leven met God, met vallen en opstaan. Hoe iemand zich ontwikkelen kon. Welke karakteristieken van het leven ook met het geloven te maken hebben.

 

Diepten

Bij een begrafenis onlangs zouden we Psalm 130 lezen: Uit diepten van ellende. De moeder van een actief en ondernemend gezin, haast bruisend, internationaal geori­enteerd, was overleden. Ze kampte al jaren met gezondheidsproblemen, die haar geest niet onberoerd lieten. Maar meesttijds was ze pittig en vol humor. Het was voor haar familie, de buurt en voor de kerkmensen geen straf om haar te bezoeken.

De levenskaars ging langzaam uit, en toen kwam Psalm 130 op tafel: Uit diepten van ellende. We bespraken dat een mens niet volmaakt is, ook al heb je mogelijkheden om te ontplooien en vrucht te dragen, dank­zij de Geest van God. Dat bij God vergeving is en dat dit haar voor ogen stond: dan hoef ik niet tot achter de komma mijn kinderen en kleinkinderen voor de voeten te lopen met dit moet wel en dat kan niet. Bij God is immers vergeving! Zo ontstond er ruimte om gezellig moeder en oma te worden.

En wat nog meer aan de orde kwam: dat je een rustpunt nodig hebt en dat je dat aan de voet van het kruis van Golgotha kunt vinden, omdat de verzoening in Christus een diep gebeuren is. Dat is haar levens­wijsheid ten voeten uit geweest.

 

Vergeving

Door daarover te spreken, konden we erva­ren wat een mens beleeft, en ook wat voor geloofsbeleving hierachter steekt. Zo na­men we Psalm 130 onder het vergrootglas. Bij vers 4 ligt het scharnier tussen ellende en vertrouwen: ‘Maar bij U is vergeving.’ Let eens op dat ‘maar’. Je zou denken: onrecht en narigheid wisselen elkaar af, en dan komt er opeens ‘maar’: Maar bij U is vergeving. Onverwacht, de moeite waard. Als er vergeving is bij God, zou dat dan niet gebruikt worden ook? Als er in de kel­der een mud aardappelen ligt, is dat toch ook te gebruiken? Zo is dat met vergeving toch ook? Neem nu een hennepplantage op zolder... Die is er toch om gebruik van te laten maken? Een huis vol terroristi­sche wapens, dat is toch gevaarlijk omdat boeven er gebruik van kunnen maken?

Zo is het ook met die vergeving, en dat is gelukkig positief. Die vergeving is er om gebruikt te worden, voor u en voor mij. Niemand kan zeggen: Die moet het niet krijgen. De Heer zal dan immers zeggen: Waar bemoei je je mee? De psalm zingt namelijk: Bij U is vergeving, bij God! Daar kunnen wij met onze bemoeizucht niet eens bij. Als zo’n psalm zo gaat functione­ren in de nagedachtenis, is dat niet alleen troostvol, maar ook inspirerend en aan­moedigend voor het eigen geloofsleven. Zo kan goede nagedachtenis een appèl worden op anderen.

 

Onderhoud

De nadruk op het leven zet de juiste toon. Middenin de dood zijn wij omgeven door het leven, zingt Maarten Luther en de christelijke kerk zingt met hem mee. De opgestane Heer is de Levende. Hij baant als Eerstgeborene der doden een pad ten leven. En dat we in dit leven al uitzicht mogen hebben op dat geheimenis, door­trekt de nagedachtenis van iemand die daarmee geleefd heeft.

Soms is de triestheid verlammend over­heersend. Wie bijvoorbeeld een keuze voor de dood gemaakt heeft en daar werk van heeft gemaakt, laat familie, bekenden en de kerk in grote onrust achter. Dan is het de kunst om geen verwijtende sfeer te scheppen. Want verwijten en verwijtbaar­heid groeien zoals onkruid.

De bijdrage vanuit de Heilige Schrift is gedrenkt in het ‘maar’ van Psalm 130: Maar bij God is vergeving. Bij ons niet altijd, soms wel, liberaal als we zijn, invoelend, maar ook ons invoelen kan zomaar een kort lontje hebben.

Daarom is de lijn van Psalm 139 zo in­drukwekkend: Met al mijn wegen bent U vertrouwd. Het gaat om God, die ons kent dieper dan we onszelf kennen. Die met ons vertrouwd is en aanvoelt wat in ons leeft, wat in ons woekert en wat in ons tot verderf leidt, beter dan wie dan ook. Hij omgeeft ons van achteren en van voren. Daarbij moet ik denken aan de Martinito­ren in Groningen, die in een grote restau­ratiemantel was gehuld, een soort jute, een soort boetekleed. En vanuit het zuiden, noorden, westen en oosten was deze staat des levens van d’ Olle Grieze te zien. Van verre kon je zien: er wordt aan het onder­houd van de toren hard gewerkt. Er wordt energie besteed om de toren te behouden. De tand des tijds wordt weerstaan. Prachtig beeld voor het werk dat God aan ons leven besteedt. Zonder die verlossende hand is ons leven verloren in schuld. Maar met die hand wordt leven gebracht op de weg van de verlossing, waar Christus ons vindt als oudroest, alsof Hij met de Vader had gesmoesd (Gerrit Achterberg).

 

Lammetje

Tekstvak:

Tekstvak: Psalm 139 zingt over de hand die Hij op onze schouder legt. Alsof Hij zeggen wil: je gaat jouw weg, en al jouw wegen zijn Mij vertrouwd, ook als het mijn weg nooit zou zijn, maar je kunt op Me terugvallen. Het is het ‘maar’ van de vergeving. Want een mens kan nooit zo diep vallen, of Christus haalt ons boven, Hij is de Goede Herder die een lammetje om de schouder legt, zodat het gekneusde pootje rustig kan hangen zonder pijnscheuten.

Nee, die God wrijft ons niet met de neus in onze wonden: Hij verlost ons, kroont ons met goedertierenheid en barmhartigheid en verlost ons van de groeve (Ps. 103).

Als wij iemand herdenken in de kerk zijn deze tonen goud waard voor een opgroei­ende generatie, die in het eigen binnen­ste ervaren kan: dit kunnen we niet mis­sen.


 

Kerkdienst bekeken (5)

Een droog pad door zompig moera

Een belangrijk onderdeel van de protestantse eredienst is de preek, het dappere probeersel dat predikanten en andere trouwe dienaars week aan week afeveren. De preek betuigt liefde, om te troosten.

Jantine Nierop

 

 

Wat is een preek?

Een preek is een verzameling woorden, uitgesproken door een bepaalde persoon in een bepaalde situatie. De persoon is meestal een predikant, maar dit hoeft niet persé zo te zijn. De situatie is de samenkomst van de gemeente rond het getuigenis van Jezus, ook wel eredienst genoemd. Zo onschuldig als dat klinkt, in de wereld

heeft het woord ‘preek’ een heel onaangename bijklank: “Sta niet zo tegen me te preken!” Het zij zo - de kerk heeft er helaas het hare aan bijgedragen. Misschien komen er ooit weer andere tijden. Preek als

synoniem voor liefdesbetuiging, dat zou mooi zijn. “En een week na die bijzondere ontmoeting ontving ik van hem een brief met een preek.” “Echt waar?” Deze vergelijking gaat niet helemaal op. De predikant

betuigt de gemeente niet zijn eigen liefde, maar die van een ander.

 

Wat wil een preek?

Liefde betuigen. Waarom? Om te troosten. Soms lijkt het of we dit helemaal uit het oog verloren zijn. De Duitse theoloog Christian Möller citeert in zijn boek Kirche, die bei Trost ist (2005) de teleurstelling van een vrouw, een trouwe kerkgangster, die in zorg leeft om één van haar kinderen: ‘In onze kerk kun je vandaag de dag alles

zijn: rood, groen, blauw, links, rechts, pacifstisch, feministisch, ecologisch, alles behalve dit ene: vermoeid en belast.’ En dat terwijl Jezus naar nieuwtestamentisch verluidt toch juist deze mensen bij zich riep: ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Mat. 11:28). Troost is een door en door bijbels begrip.

Misschien is er geen bijbelser begrip dan troost. ‘Troost, troost mijn volk, zegt uw God’, spreekt in het Oude Testament de profeet Jesaja (Jes. 40:1). In het laatste boek van het Nieuwe Testament wordt gedroomd van een God die bij de mensen zal wonen ‘en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle

tranen van hun ogen afwissen’ (Op. 21:4)

 

Zelfs in goede tijden

kan ons de angst

aangrijpen - om de

broze kwetsbaarheid

van het geluk.

 

Ik ken een prachtig schilderij van Max Beckmann naar aanleiding van dit vers: een vrouw in een gele jurk met vleugels op haar rug staat voorovergebogen over iemand die op een tafel ligt - overduidelijk de schilder zelf - en wist zorgzaam de tranen van zijn ogen.

Met troost bedoelt de Bijbel echte troost, geen goedkope vertroosting, geen doekje voor het bloeden. Echte troost is troost die een perspectief biedt. Dat is te abstract gezegd. Waar alle grond onder hun voeten wegzakt, biedt troost in bijbelse zin mensen een begaanbare weg. Zijn wij niet steeds opnieuw zulke mensen? Zelfs in goede tijden kan ons de angst aangrijpen - om de broze kwetsbaarheid van het geluk. Zelfs in tijden van voorspoed laat ons toch het gevoel niet los ‘in deze wereld niet helemaal thuis te zijn’ (Heinrich Böll).

 

Troost

Troost die een begaanbare weg biedt, praat mensen niet naar de mond. Troost kan ook vermanen,  egenspreken en pijn doen. Wat Franz Kafka zegt over het boek, geldt mutatis mutandis ook voor de preek:

‘Waarom lezen we boeken? Om gelukkig te worden? Mijn God!... een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’

De begaanbare weg waarover de Bijbel verhaalt, is Jezus zelf. Zo vertelt de preek in navolging van de Bijbel over Jezus. De Amerikaanse theoloog Charles Campbell geeft in zijn homiletiek het volgende commentaar op een preek van de eveneens Amerikaanse oudtestamenticus Walter Brueggemann: ‘Afgezien van Jezus van Nazareth heeft Brueggemann in deze preek niets te zeggen.’ Dit is als compliment bedoeld. De preek vertelt dus over Jezus. Niet als een persoon van langgeleden, maar als iemand die hier en nu om ons heen is, daar waar wij Hem niet vermoeden. Omdat Jezus daar is waar wij Hem niet vermoeden, daar wij op

Hem gewezen moeten worden, grijpen wij steeds opnieuw terug naar dat oeroude getuigenis van Hem: de schriften van de Bijbel. Zij openen ons de ogen voor zijn aanwezigheid. Daarom ligt aan de preek de exegese

ten grondslag. Maar de preek zelf is geen schriftuitleg. We kunnen niet over Jezus praten zonder de schriften uit te leggen, maar de uitleg is geen doel op zich. De Zwitserse theoloog Rudolf Bohren zegt het in zijn beroemde ‘Predigtlehre’ zo: ‘Wij hebben geen teksten te preken, maar een persoon.’

 

Wat gebeurt er in een preek?

Oh, moge het zo zijn dat er in de preek niet alleen over Jezus gesproken wordt, maar dat wij Hem in deze heenwijzing ook zelf ontmoeten…! Wat moet ik hier verder van zeggen? Dit is onze hoop en onze  verwachting: ‘Wie naar u hoort, hoort naa dan is alles voor niets geweest. Onze woorden over Jezus mogen nog zo juist zijn, als Hij ze niet zelf bevestigt, dan zijn het niet meer dan goedbedoelde fantasietjes. Maar

áls Hij ze bevestigt, dan dragen ze ons. Als een droog pad door een zompig moeras. Moge het zo zijn.

Zijn dit al te grote woorden voor het dappere probeersel dat predikanten en andere trouwe dienaars week aan week afeveren - vaak genoeg met bloed, zweet en tranen en soms zelfs met de moed der wanhoop

gefabriceerd? Natuurlijk, dit zijn veel te grote woorden. Maar daarvoor zijn we dan ook in de kerk

- om met K.H. Miskotte te spreken. In de preek die hij in 1945 hield bij het afscheid van de hervormde gemeente te Amsterdam zegt hij na een wervelende, gloedvolle passage over Jezus als de ‘liefderijke Vrijmacht’: “Dat zijn grote woorden, inderdaad, maar dáárvoor zijn we dan ook in de kerk. In de kerk worden alleen grote woorden gesproken; en wanneer men dit nalaat of niet ernstig neemt of niet meer zou wagen, dan konden we wel ophouden!”

Jantine Nierop is predikant van de Nederlandse Gemeente in Berlijn.

 

De kerkdienst bekeken (4)

Volgens het leesrooster

Zijn de bij bellees roosters een dwangbuis of een handreiking? Of misschien een liturgische TomTom, die verschillende wegen kent en soms vriendelijk verzoekt: ‘Indien mogelijk, keer om’.

 

Joke Boot-de Boer

 


 

aandagmorgen, 10.00 uur. Dominee J. zit achter haar bureau en leest de brief van de gemeente waar zij de komende zondag zal voorgaan. Naast de gebruikelijke inlichtingen over de gang

van zaken leest zij: ‘De kinderen gaan vóór het lezen uit de Bijbel naar de kindernevendienst. Zij hebben daar hun eigen viering met dezelfde bijbeltekst als in de kerk. Wij zouden het erg op prijs stellen, indien u dat leesrooster ook in onze dienst gebruikt.’

 

Hoofdpijn

Navraag leert dat het hier gaat om het rooster van Kind op Zondag. Navraag is noodzakelijk, gisteren ging de predikant voor in een gemeente die het zogeheten klassieke rooster hanteert. In de gemeente van volgende week wordt een geheel eigen rooster gevolgd. Wil de predikant alstublieft dat bijbelgedeelte nemen? Dominee is daar niet te beroerd voor, maar vraagt zich af hoe ze het allemaal voor elkaar moet krijgen. Preken over een bijbelgedeelte vereist een degelijke studie van het betreffende bijbelboek als geheel en dat kost de nodige tijd. Zeker als het gaat om minder bekende en niet vaakgelezen boeken. De afgelopen jaren bijvoorbeeld kwamen Openbaring, Jeremia, Nehemia aan de orde. Prachtige boeken, maar je bent er niet in een paar uur mee klaar. Een gemeente mag van de predikant een grondige bestudering van de teksten

verwachten, maar dat moet wél binnen de vastgestelde voorbereidingstijd. Ten slotte is de dienst meer dan de preek alleen: als het goed is, is deze ingebed in de totale liturgie. Wat te doen? Dominee heeft al hoofdpijn nog voor er een letter op papier is gezet.

 

Handwerk

De vragen van de gastgemeenten zijn niet onredelijk. Juist vanwege het begrip en de

continuïteit ziet men een volgrooster liever niet onderbroken. Is de predikant gemakzuchtig als hij besluit soms toch het ‘eigen’ rooster te volgen? Zeker niet, hij gaat verstandig en gewetensvol om met zijn tijd. Hij weet dat aan het bijbelgedeelte geen recht wordt gedaan, als hij daar weliswaar ernstig maar niettemin en logischerwijs slechts aan kan snuffelen met alleen zijn commentaren als hulpmiddel.

Hij heeft een vak geleerd en weet dat het het nodige handwerk vergt, wil hij de Schriften ook maar enigszins kunnen doorgronden, het Woord verkondigen en het ‘in rapport met de tijd’ brengen. Op deze  maandagmorgen wenst de predikant even dat er geen roosters waren. Terwijl hij er eigenlijk juist zo blij mee is. Het moge duidelijk zijn: mede door de hoeveelheid zijn leesroosters niet het eind van alle tegenspraak.

 

Reformatie

In de protestantse zondagsdiensten ligt van oudsher het accent op onderricht en prediking van de Heilige Schrift. Het Woord staat, en ligt in menige kerkzaal letterlijk zichtbaar, centraal. De middeleeuwse kerk, waaruit de reformatoren kwamen, las volgens het perikopenstelsel. Daardoor stonden de lezingen voor iedere zondag vast. Anders dan de lutherse kerken, die aan dit gebruik trouw bleven, kozen de calvinistische kerken later voor de doorgaande lezing: de lectio continua. Er werd een heel bijbelboek dóórgelezen, telkens een gedeelte of hoofdstuk. De lezing begon waar men de vorige zondag was opgehouden. De typisch protestantse gewoonte een permanent geopende Bijbel op de kansel te laten liggen, herinnert daar nog aan. De doorgaande lezing werd later verlaten, waarna een periode volgde van aan de eigenlijke kerkdiensten voorafgaande, nauwelijks bezochte, voordiensten. Daarin werden door een voorlezer, meestal de schoolmeester, gekozen bijbelgedeelten gelezen. In 1817 besloot de synode dat de keuze van schriftlezingen voortaan de taak van de predikant was.

Zo mocht enige samenhang tussen lezingen en prediking worden verwacht, wat voordien vrijwel nooit het geval was. Gevolg was dat er ten aanzien van de lezingen nu in het geheel geen systeem of orde meer bestond. Dominee las wat hij wilde en nam voor de preek vaak slechts een gedeelte uit het gelezene: ‘Gemeente, de tekst voor de prediking van hedenmorgen is genomen uit…’. Soms werd de hele preek aan één enkel woord opgehangen.

 

Eerste Dag

In de wereldoecumene vormden de kerken van het gereformeerd protestantisme zo lang een uitzondering, door geen aanwijzingen te geven voor een geordende lectuur van de Schrift in de eredienst. Door een hernieuwd liturgisch besef kwam langzaam maar zeker een kentering in de praktijk van vrij en daarmee willekeurig roostergebruik. In de jaren zeventig besloot de Raad van Kerken dat de Bijbel zoveel mogelijk als geheel en in geregelde orde, dus niet fragmentarisch, aan het woord zou moeten komen. Eind 1977 verscheen De Eerste Dag met materiaal voor preek en liturgie. Deze uitgave is, met Kind op Zondag, niet meer weg te denken in de meeste protestantse kerken.

In De eerste dag vieren, liturgie voor gemeenteleden, schrijft Boendermaker: ‘Ik weet nog hoe bevrijdend het was - zij het niet eenvoudig - om je preektekst van tevoren te weten en je daaraan te onderwerpen.’ Er zijn gemeenten waarbinnen nog altijd groot wantrouwen bestaat ten aanzien van het liturgisch jaar en leesroosters. Op de christelijke feestdagen en in de daaraan voorafgaande periode hanteren ook zij doorgaans een thematische schriftlezing en prediking. Voor het overige wordt, als vanouds, doorgaand gelezen of bedient men zich van een vrije tekstkeuze.

 

Rigide

Elk systeem heeft voor- en nadelen. Roosters kunnen voorkomen dat de gemeente afhankelijk is van voorkeuren of stemming van de predikant of, erger, zijn stokpaardjes. Voorgangers worden, door een leesrooster te volgen, uitgedaagd het ‘preekvak’ in al zijn facetten ter hand te nemen en zich te verdiepen in schriftgedeelten die ze zelf waarschijnlijk nooit gekozen zouden hebben.

Er zijn ook argumenten tegen een vast roostergebruik. Een al te rigide opstelling, krampachtig en dogmatisch aan roosters vasthouden, leidt ertoe dat predikant en gemeente zich bij tijd en wijle in onmogelijke bochten moeten wringen. Daarnaast maakt de hoeveelheid roosters het er niet eenvoudiger op. Zeker voor gastvoorgangers is deze diversiteit lastig, terwijl voor gemeenteleden geldt dat ze de draad van het verhaal kunnen kwijtraken als ze een zondag missen.

 

Orgaandonatie

Vrije tekstkeuzes daarentegen kunnen ontaarden in selectieve, op persoonlijke voorkeuren gebaseerde keuzes. Daarnaast is er de merkwaardige gewoonte van het zoeken naar een bijbelgedeelte dat ‘passend’ is in een bepaalde situatie op een bepaald moment, teneinde te vertellen wat de Bijbel=God hierover te zeggen heeft. Ik herinner mij een preek over Psalm 139 die ge(mis)bruikt werd om de gemeente te waarschuwen zich niet in te laten met orgaandonatie. De boodschap was duidelijk, maar van verantwoorde exegese was geen sprake. Wie hiertegen inbrengt dat bepaalde situaties vragen, zo niet dwingen tot het ‘spreken’ in de gemeente, zou kunnen denken aan andere, zelfs meer geëigende momenten in de dienst. In Nieuwe wegen in de liturgie zegt Schuman hierover: ‘Hoofdmotief is dat het niet alleen om de leesorde zelf gaat. Het gaat om het totaal van lezing(en), het daarop gerichte zondagsgebed en slotgebed, de daarbij passende psalmen en andere liederen. Pastoraat en actualiteit kunnen ook hier al impliciet resoneren, terwijl de preek ze kan expliceren. Ook andere momenten van de eredienst lenen zich daar goed voor: smeekgebed, voorbeden, inzameling van gaven en intenties.’

Het laatste woord over leesroosters is nog niet gesproken en zal vermoedelijk ook nooit klinken. Voor- en tegenstanders  doen er goed aan zich te realiseren dat de samenstellers van leesroosters niet kunnen maar ook niet willen dwingen. Ze willen een handreiking doen, hulp onderweg. Als een liturgische TomTom, die verschillende wegen kent en soms vriendelijk verzoekt: ‘Indien mogelijk, keer om’. En dat doe je dan. Of niet.

 

 

De kerkdienst bekeken (3)
Het gesprek met de kinderen

Het gesprek met de kinderen kan twee kanten opgaan. In het gesprek kan de predikant

vooruitlopen op wat in de kindernevendienst besproken zal worden. Dat vereist afstemming met de leiding van de kindernevendienst over wat er waar aan de orde zal komen.

 

Opletten

Ook is mogelijk dat de predikant vast vooruitloopt op de schriftlezingen en verkondiging die in de kerkzaal zullen volgen. Soms komt dat overeen met wat de kindernevendienst gaat doen, maar dat is niet overal vanzelfsprekend. Dan biedt het de mogelijkheid om vast in eenvoudige taal en beelden de boodschap te verwoorden.

Dit dient een dubbel doel. De kinderen weten waar hun ouders het over hebben, maar vaak blijkt dat de volwassenen op dat moment goed opletten en soms aan de hand van dat verhaaltje de preek beter kunnen onthouden. Voor beide manieren van aanpak is wat te zeggen. Wellicht zou de eerste vorm beter passen vóór het gebed om de Geest, om - als de kinderen weg zijn gegaan - daarna weer de concentratie op het eigen onderwerp van die ochtend op te pakken, door dat gebed te bidden.

De tweede vorm zou kunnen na het gebed om de Geest, omdat de concentratie niet wordt doorbroken door het kinderverhaal. Integendeel: het leidt naar de lezingen en verkondiging toe.

 

Kinderverhaal

De belangrijkste reden om een kinderver- haal onderdeel van de eredienst te laten zijn, is mijns inziens dat het de kinderen bij de dienst betrekt. Nog maar kortgeleden ontving ik een mail van een ouder die vroeg of we vaker bekende kinderliederen konden zingen in de kerk.

Want, schrijf zij, het is voor hen het enige moment in de dienst dat ze opveren en meedoen. De rest van de dienst zitten ze uit, los van het moment dat ze naar voren mogen komen.’ Er is in een gemiddelde dienst niet veel te doen en te zien voor jonge kinderen. Dat geeft niet. Het is al leuk wanneer er af en toe een dienst op kleuterformaat is

en hopelijk helpt dat hun ook gewone’ diensten beter te kunnen volgen. Maar dat betekent wel dat die paar momenten dat kinderen zich wel aangesproken voelen, heel belangrijk zijn.

 

In onze gemeente leidt het ‘naar voren roepen’ tot het kinderequivalent van een staande receptie.

 

In onze gemeente (een jonge gemeente met elke zondag zeker veertig kinderen voor de nevendienst) leidt het ‘naar voren roepen tot het kinderequivalent van een staande receptie. Er wordt gezwaaid, bijgepraat, soms zelfs geknuffeld. Volwassenen vinden het leuk om op zondag elkaar te treffen en dat blijkt ook voor veel van de kinderen zo te zijn. Goed om ze even bij el- kaar te hebben en de bijzondere aandacht van de voorganger te geven.

Dat is meteen een tweede reden om deze gesprekken te voeren: het is een moment van contact tussen voorganger en kinderen. In elke gemeente zijn de gebruiken en de aantallen kinderen verschillend. Wellicht zijn er voorgangers die de jonge gemeenteleden regelmatig spreken, maar op de plek waar ik sta, is dat contact (even met de kinderen praten) heel belangrijk. Wij treffen elkaar anders niet tussen het moment van hun doop en de dag dat ze naar de middelbare school gaan.

 

De derde reden is, dat kinderen even attent gemaakt kunnen worden op iets in de kerkzaal (de kleur van het antependium, een bloemstuk, een poster) en daar de betekenis van uitgelegd kunnen krijgen. Soms blijkt wat ik vertel ook voor volwassenen nieuws te zijn.

 

Vraag en antwoord…

Een gesprek met de kinderen, vragen van de predikant en antwoorden van de kinderen, kan heel levendig zijn. Bedenk wel dat het voor kinderen spannend is om vooraan te staan. Een gemakkelijke vraag is nodig om een beetje op gang te komen. Wat een gemakkelijke vraag is, is overigens niet zo eenvoudig te bepalen. Soms levert Weten jullie nog waar we het de vorige keer over hadden? al een blokkade op. Verder is het van belang om in een gesprek ruimte te maken voor de eigen inbreng van de kinderen. De vragen moeten zo gesteld zijn, dat wat de kinderen antwoorden wél bijdraagt aan het geheel. Anders krijg je het effect dat de predikant staat te wachten tot de kinderen zijn uitgesproken en dan weer verdergaat met waar zij zelf heen wilde. Maar vermijd dat bepaalde antwoorden persé moeten klinken: dat ongemakkelijke moment dat een predikant overduidelijk wacht op één bepaald antwoord dat maar niet komt.

Je kunt vragen naar voorbeelden uit het dagelijks leven: ‘Moeten jullie wel eens ergens wachten? of ‘Heb je je wel eens heel blij gevoeld?. Dat levert allerhande kleine verhaaltjes op, maar hindert de gang van je verhaal niet. Laat het zeggen, luister goed en ga verder met ‘Nou, zo was het ook met…. De kinderen zijn dan meer betrokken op wat er daarna volgt, want hun eigen verhaal hoort er ook bij.

In wat deze gesprekken zo leuk maakt, dat kinderen zulke onverwacht grappige antwoorden kunnen geven, schuilt meteen ook het grootste gevaar: het gevoel uitgelachen te worden. Ook grapjes over hun hoofd heen kunnen dat effect hebben. Uitleggen waarom je lacht, is dan heel belangrijk, evenals grapjes die zij wel kunnen begrijpen.

 

 

…of een verhaal?

Veel kinderverhalen zijn eigenlijk mooie spiegelverhalen, voor volwassenen. Vaak begint een gesprek of verhaal heel concreet en begrijpelijk voor de kinderen, maar eindigt met een analogie die ze niet begrijpen en die meer geschikt is voor volwassenen.

Zo las ik een keer aan kinderen, naar aan- leiding van Jesaja 55, een verhaal voor over een waterdruppel in zee, die verdampte, in een wolk reisde, vervolgens weer op aarde viel, daar plantjes liet groeien en uiteinde- lijk via de rivier weer terug in zee kwam. Ze luisterden op dat moment heel aandachtig, tot ik overstapte naar het gedeelte: ‘Zo is het ook met het woord van God….

Ik heb mijn verhaal afgemaakt, maar realiseerde me later dat de kinderen waarschijnlijk de link tussen de waterdruppel en God helemaal niet gezien hebben. Het

is dus zaak om ook de pointe van een verhaal, of het eind van een gesprek concreet te houden.

 

 

Lief zijn

Dat laatste is moeilijk. Vooral omdat het ertoe kan leiden dat de pointe altijd is dat

we lief moeten zijn voor elkaar. Soms staan kinderen al vanaf het begin klaar om dat antwoord te geven, omdat ze weten dat het daar vroeger of later toch op uitdraait. Het

is ook een belangrijke boodschap, die best herhaald mag worden. Niet alleen voor de kinderen, maar ook voor de volwassenen. Maar het christelijk geloof en wat we op zondagmorgen doen in de kerk mogen niet daartoe gereduceerd worden. Wie God is of hoe je Bijbel kunt lezen, zijn ook belangrijke onderwerpen en een deel ervan is soms best ‘in het klein uit te leggen.

Het is een uitdaging om ook af en toe op een andere boodschap uit te komen.

 

 

Mendie Hofma is predikant  in Alphen aan den Rijn.