|
|
|
woensdag 09 maart 2011
Mei 2010 Meditatie Diep in de morgen ( n.a.v. Lucas 24: 1 ) Op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf . Letterlijk staat er: diep in de morgen, een merkwaardige uitdrukking. Je zegt wel: diep in de nacht, in het holst van de nacht. Wat donker is, heeft diepte; wat licht is, schijnbaar niet. Toch denken grote kunstenaars als de schilder Rembrandt daar anders over: de diepte van het licht speelt in zijn werk een doorslaggevende rol. Diep in de morgen. Het begrip “diepte” heeft in het evangelie een positieve betekenis. In de dienst van Kerk & School onlangs hadden we het over de domme man en de slimme man. Van die slimme man staat geschreven: “het is iemand die bij het bouwen van een huis diep gegraven heeft en het fundament op de rots gelegd heeft.” Niet slechts de nacht en het graf hebben diepte, ook de morgen. Zo diep is deze morgen, dat niemand getuige is van de opstanding. Dat het diep in de morgen is, wijst op het geheim: niemand is er bij geweest. Pasen is verborgen in ondoorgrondelijk licht. Achter onze kerk ligt een begraafplaats. Er komen elke dag wel mensen. Toch is het een plek, waar je rust vindt in deze tijd van druk, druk, druk. Als je er rondloopt, dan word je als vanzelf tot bezinning gebracht. De begraafplaats is voor menigeen een plek om op adem te komen. Dat geldt zelfs voor de flora en de fauna. Ik las ergens, dat een flink aantal planten en dieren nog overleven dankzij begraafplaatsen. Dat we bij de doden rust kunnen vinden, wordt ons massaal door grafschriften vòòr gehouden: hier rust ……. Toch is de rust van de begraafplaats betrekkelijk. Nergens is de eindigheid van het leven zo voelbaar en tastbaar als daar. Het opgaan en blinken gaat altijd en onvermijdelijk over in het verzinken. Hoeveel pijn en verdriet is daar, achter de kerk, al die jaren niet door mensen ervaren ? Er zijn emoties tot uitbarsting gekomen, er is gehuild, geschreeuwd. Frustratie en boosheid vonden een uitweg. Bij het open graf van een geliefde is gepraat, gebeden. Op die plek van rust wordt geleden; mensen komen er gebroken vandaan. Als nabestaande reageer je allemaal verschillend. Sommigen zijn voortdurend in de weer om het graf te verzorgen, rusteloos. Anderen vermijden juist de begraafplaats, omdat het ze onrustig maakt en hevig emotioneert. Met grote regelmaat worden ook nieuwe graven gedolven. Ambtenaren van de gemeente Wijdemeren doen hun werk. Er wordt plaats gemaakt voor een “nieuwe” dode. Voor de dode Jezus was ook een nieuw graf gemaakt. Er wordt wel gezegd: niemand is onmisbaar. Dat kan dan in het maatschappelijk leven wellicht waar zijn, in het persoonlijke leven is daarvan geen sprake. In liefde kan een mens nooit gemist worden. En toch: niet bij de doden, niet op de begraafplaats achter onze kerk kunnen we onze diepste rust vinden. Het woord van de Levende doet ons omkeren, weer weg van de begraafplaats, het bruggetje over, het gewone leven in, hoe moeilijk dat ook is. Want: de nieuwe morgen van Pasen is Gods diepste morgen, een nieuwe schepping. O hoogt' en diepte, looft nu God, aanbidt zijn heiligheid! Zijn woord werd nimmer nog gepeild, zijn weg is majesteit. D.M. van der Wel Voor de inkoop van de ingrediënten moeten we het aantal deelnemers weten. Daarom is opgave vooraf nodig voor uiterlijk maandag 17 mei om 12.00 uur. Dat kan bij Emma van Corteveen, tel 656 2522 of per e-mail evancorteveen@hotmail.com. Voor vervoer van en naar de Blokhut kan worden gezorgd. Geef dat aan bij uw opgave. Gesprekskring De volgende bijeenkomst was aanvankelijk gepland op woensdag 28 april. Vanwege de gemeenteavond wordt de datum verschoven. Nu komen we bij elkaar op woensdag 19 mei a.s. ten huize van Barbara Vierhout – de Beus, tel. 6564295.We beginnen om 19.45 uur en behandelen dan hoofdstuk 9 van het boekje Ontmoetingen met Jezus, onder de titel Meelopen of navolgen ! n.a.v. Lucas 14: 25 – 33 . Met een hartelijke groet aan u allen, D.M. van der Wel Kerst 2007 Meditatie “ Christus is het Die gestorven is, ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt”. (Rom. 8. 34)
Deze maand vieren we het Kerstfeest, waarbij we denken aan de geboorte van de Here Jezus Christus. Voor heel veel mensen is dat het enige contact met het christelijk geloof. Maar in de Bijbel lezen we dat Kerstmis slechts het begin is. Hier wordt de eerste steen gelegd van het gebouw van Gods gunstbewijzen. Iedereen wil toch weten hoe het gebouw er zal uitzien? Paulus geeft in Romeinen 8 aan wat er na Kerst gaat gebeuren en waarom Jezus op aarde is gekomen. Bovenstaande tekst komt uit de brief van de apostel Paulus, die hij geschreven heeft aan de christenen in Rome. Hij schreef die brief ongeveer in het jaar 57 na Christus. Paulus zelf woonde toen in Efeze. De apostel beschrijft wat Jezus Christus allemaal gedaan heeft om mensen zalig en eeuwig gelukkig te maken. Dat is heel veel. Vandaar dat herhaalde “ook.... ook.... ook”. Het begint ermee dat Christus gestorven is aan het kruis van Golgotha, om ons het leven te kunnen geven. Eeuwig leven, want Hij stierf voor onze zonden. Anders gezegd: Hij nam onze zonden op Zich. Daar gaat het om in de Bijbel. Vlak voor de geboorte krijgt Jozef van God de opdracht om het Kind van Maria Jezus te noemen. “Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden” (Matth. 1. 21). Zonde is alles wat wij in ons leven verknoeid hebben, zowel persoonlijk als met elkaar. Zonde is het tekortschieten in de liefde. Zonde is God niet willen erkennen en Hem buiten ons leven houden. Daardoor is God niet meer onze Vader. maar onze Rechter, die alle gedachten en woorden van ons kent. Welnu, Jezus Christus neemt alle zonden van Zijn volk op eigen schouders. Al dat kwaad trekt Hij naar Zich toe. De straf van God op al het verkeerde komt op Hem terecht. Zoals een bliksem het hoogste punt opzoekt, de bliksemafleider. Wie daaronder zit is veilig. Het kruis van Golgotha is als het ware een bliksemafleider. Daar heeft Jezus voor al de zijnen de straf op de zonde gedragen. Maar nu lezen we dat er nog meer is. Want als Jezus “alleen maar” gestorven is, dan loopt de zaak nog spaak. Dan zouden we een dode Verlosser hebben. Goddank, Jezus is opgestaan. Nu kunnen we tot Hem bidden en kan Hij ons vergeven. Nu kunnen we zingen: “Ga niet alleen door 't leven, die last is u te zwaar. Laat Eén u sterkte geven, ga tot uw Middelaar”. Nu denken we met vreugde aan de belofte van Jezus: “En zie, Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding der wereld” (Matth. 28. 29). Hoe kan Jezus met ons zijn? Wel, door Zijn Geest. Door die Goddelijke kracht, die Goddelijke Persoon, die Jezus in onze harten wil geven. Dat is de band die ons met Hem samenbindt en verenigt. Daarom roept Kerstmis om Pasen, het feest van de opstanding, en om Pinksteren, het feest van de Heilige Geest. Paulus gaat nog verder. Hij is aan de rechterhand van God de Vader. Wat betekent dat? Dat was in het oude Oosten de ereplaats van de onderkoning, die namens de koning regeert. Zo regeert Jezus Christus namens Zijn Vader. Wie regeert Hij? Zijn kerk, de nieuwe verloste mensheid. Jezus leidt het zo in de wereld dat er altijd een kerk zal blijven bestaan tot Hij zal wederkomen om een nieuwe aarde te geven, waarop vrede en gerechtigheid wonen. De tekst eindigt met: “dat Hij voor ons bidt”. Wat vraagt Hij? Dat Zijn schapen niet moedeloos worden in de zorgen van de wereld. Dat ze blijven uitzien naar Zijn wederkomst. Dat hun geloof nooit zal ophouden. Dat zij anders zullen gaan leven op deze wereld, elkaar liefhebben en elkaar dienen. Dat bij het sterven Zijn Vader hen genadig zal opnemen. Kortom, dat ze niet verloren gaan. Is er niet alles voor om bij deze biddende Jezus te horen?
Ten slotte Tot slot wens ik u heel goede en gezegende dagen toe. Er is aan het einde van het jaar veel gezelligheid en er vinden vele leuke ontmoetingen plaats. Maar het zijn dagen waarin verdriet, gemis en eenzaamheid ook extra zwaar ervaren kunnen worden. Hopelijk zijn kerst en oud en nieuw meer dan gezelligheid alleen. We mogen stilstaan bij het wonder dat God midden in ons bestaan gekomen is. Hij is ontvangen en geboren, Hij groeide op, Hij heeft geleden en is gestorven. Groot is het om van grootheid en heerlijkheid afstand te kunnen doen. God is klein en nederig geworden. Niet om Zichzelf te bewijzen, maar om ons te dienen en te redden. Moge dat het centrum zijn van heel ons leven en moge dat ook centraal staan in de komende dagen. Met Die God mogen wij het nieuwe jaar ingaan. Het hier volgende gedicht is geschreven door Bertus Aafjes, en draagt de titel “De drie Koningen”:
Het sneeuwde over de
karavaan
F. Heikoop
December 2007 Meditatie "Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen" (Jesaja 11: 1).
Dit zijn woorden van een prediker uit het jaar 700 voor Christus. Hij heette Jesaja en was een Jood. Wat bedoelde hij met deze woorden, die voor velen wellicht wat duister zijn? Hij spreekt over een omgekapte boom. Alleen nog een stomp, een tronk, staat boven de aarde. Teken van ondergang. Die heeft zijn tijd gehad en daar valt niets meer van te verwachten. Maar als je rondkijkt zie je gelukkig nog andere prachtige bomen, die samen een schitterend bos vormen (Jesaja 19: 16 en 18). Bij het ene kun je wat mijmeren over de vergankelijkheid van het leven. Bij het andere zie je het krachtige leven. Jesaja bedoelt met die omgehakte boom het volk Israël. In de tijd van Jesaja stelde Israël niet veel meer voor. Het liep op zijn achterste benen. Het noordelijk deel van Israël was al verwoest en de bevolking was in ballingschap als slaaf weggevoerd. Jesaja zelf woonde in het zuidelijke deel en dat beperkte zich tot de stad Jeruzalem en omgeving. Het had nog maar de grootte van zo pakweg Brabant, Zeeland en Limburg. Als je dat eens vergeleek met vroeger! Wat hadden David en Salomo prachtige, rijke, grote koninkrijken gehad! Dan kun je alleen maar weemoedig terugkijken. De toekomst lag op het eerste gezicht bij nieuwe koninkrijken daar in het noorden. Dat bedoelt Jesaja met die prachtige bossen. Daar was leven, daar bruiste het, daar werden de blikken van de jonge mensen naartoe getrokken. Daar lagen de kansen van een nieuwe loopbaan. Daar was geld te verdienen. Maar, zegt Jesaja, de dingen gaan niet altijd zoals wij het verwachten of berekenen. Zie je die afgehouwen tronk? Daar komen toch weer kleine takjes aan. En hij gaat toch weer groen worden! En langzamerhand komen er weer vogels en andere dieren. En die prachtige bomen even verderop? Die zullen ten prooi vallen aan enorme bosbranden. Met deze woorden wil Jesaja zijn landgenoten een hart onder de riem steken. Heeft hij geen gelijk gekregen? In de volkerenwereld van toen was Israël afgeschreven. Niet interessant meer! Er werd alleen rekening gehouden met de koninkrijken van Assur en Babel. Maar vandaag de dag, welke naam wordt er nog dagelijks genoemd? Niet die van Assur en Babel. Wel die van die afgehouwen tronk van Isaï. Dat is Israël. Dat bestaat nog en er gaat geen dag voorbij of u leest er over in de kranten. En wat dacht u van die ene Israëliet Jezus Christus? Zijn naam wordt dagelijks genoemd en aangebeden door honderden miljoenen mensen over de hele aarde. Hij geeft hen moed en kracht om te leven en om te sterven. Zijn voorbeeld inspireert om Hem na te volgen, om anderen te dienen met tijd en geld. Zijn lijden en sterven maakt zo velen vrij van de last van het verleden en van de verlamming van schuldgevoelens. Hij wordt terug verwacht door zo velen, opdat Hij een nieuwe hemel en aarde zal geven waarop vrede en gerechtigheid zullen zijn. Waarom gaat God eigenlijk met die afgehouwen tronk van Israël verder? Waarom maakt de Here God geen gebruik van die andere volkeren? Wel, omdat God beloofd heeft dat Jezus uit Israël zou voortkomen. Dan kunnen er ogenblikken komen dat je denkt dat alles doodloopt. Maar dan komt er toch weer nieuw leven. Want een kerstlied zegt: "Gods beloften worden heerlijk vervuld". Daarom komt er leven uit wat dood lijkt. Niet de feiten zegevieren, maar Gods woord houdt stand in eeuwigheid. Waarbij dan wel duidelijk wordt dat het Gods werk is. Wie kan verder gaan met een hopeloze zaak dan alleen God? Maar God doet dat steeds opnieuw. Na de massamoord op de Joden in de Tweede Wereldoorlog kwam de staat Israël. Omdat God beloofd heeft Zijn volk nooit op te geven. Zo kan het er met de kerk in Nederland wel eens wat somber uitzien, maar er zullen steeds nieuwe takken komen, want het is Zijn zaak. Zo gaan we vol goede moed verder. Hij heeft beloofd dat Zijn gemeente nooit geheel zal verdwijnen. Laten we ons dan maar aan die belofte vasthouden. God werkt vaak door de diepte heen, opdat ieder zal erkennen dat het Zijn werk is. Soms kunnen we denken dat het geloof in onze familie, in de gezinnen van onze kinderen doodloopt. Je kunt daarin ook je eigen machteloosheid bemerken. Hoe graag zouden we het anders willen zien. Maar dan mogen we pleiten op deze belofte van God en Hem al onze zorgen voorleggen. Hoe vaak heeft God een begin willen maken waar alles, ook soms voor onszelf, doodliep. Onze God is toch sterker dan ongeloof en onwil. Dat merkt toch ook iedere gelovige in zijn eigen leven! Nog een moedgevende gedachte zit er in de belofte van Jesaja. Eenmaal zal ons lichaam sterven. Dan valt de boom om, geveld door ziekte of ongeluk. Die gedachte is angstaanjagend. Maar ook hier heeft het Evangelie goed nieuws. Voor wie in de Heiland gelooft, daar zal God nieuw, eeuwig leven geven. Dan zal Hij ons eeuwig jong maken met een heerlijk lichaam. Dan mogen we in deze Kersttijd zingen: "Mijn hart zal 't feestkleed dragen van altijd jeugdig groen, en van Uw lof gewagen zoveel mijn lied kan doen".
Ten slotte Ten slotte een gedicht van Nederlands meest gelezen dichteres Nel Benschop met de titel “Immanuël: God met ons”:
Een naam vol vreugde: God, Die met ons is, Die naast je loopt; Hij Die Zich wil ontfermen, Al ga je door een dal vol duisternis, Hij is erbij: Zijn arm zal je beschermen.
Immanuël: een naam vol warmte en licht, Een grote God, Die een klein mens kan wezen, Die al Zijn liefde op ons heeft gericht Om ons geschonden leven te genezen.
Immanuël: Hij is ons zeer nabij, Een mens als wij, Die onder ons wil wonen En Zoon van God. Wie kan er, zoals Hij, Het beeld des Vaders beter aan ons tonen?
In Bethlehem is ’t englenlied gehoord Dat zong van vrede, vreugde, welbehagen; En nog weerklijkt dit lied in Jezus’ woord: “Vrees niet! Zie, Ik ben met u, alle dagen!’
F. Heikoop
November 2007
Meditatie "Mijn genade is u genoeg" (2 Kor. 12. 9).
De apostel Paulus heeft een probleem. Paulus, een van de grootste uit de christelijke kerk, heeft een doorn in het vlees. Wat was dat? Daar zijn heel wat verklaringen voor gegeven. Zeker weten doen we het niet. Maar een paar dingen kunnen we er wel van zeggen. Het "vlees" betekent hier hetzelfde als het lichaam. Paulus heeft dus een lichamelijk handicap. Ondanks het feit dat hij verder reuze sterk van gestel moet zijn geweest. Uit andere delen van de bijbel weten we dat hij duizenden kilometers heeft gelopen om het Evangelie te verkondigen in Klein-Azië, Palestina, Libanon, Syrië en Italië. En niet te vergeten: Malta, Cyprus en Kreta. Je krijgt sterk de indruk dat Paulus’ handicap te maken heeft met zijn werk, met het preken van de goede boodschap, het Evangelie van Jezus Christus. Sommigen zeggen dat hij heel klein van gestalte was. De naam Paulus betekent ook: “de kleine”. Anderen zeggen dat hij net als Mozes wellicht stotterde, wat voor een spreker een probleem kan zijn. Daarheen wijst ook dat Paulus zelf in diezelfde brief aan de Korinthiërs vertelt wat zijn tegenstanders over hem zeggen: “zijn persoonlijk verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets” (10. 10). Hoe het ook zij, Paulus verkeert in een moeilijke situatie. Dat was een regelmatig terugkerend verdriet. Als hij nu eens een stem als een bazuin had, dan zouden misschien nog meer mensen meteen naar hem geluisterd en zich bij de gemeente aangesloten hebben. Daarom bidt hij om verlost te worden van zijn probleem. Ja, wat doe je als je in nood zit anders. Paulus maakt mee wat ieder die bidt op zijn tijd meemaakt. Zijn gebed wordt niet “verhoord”. De doorn blijft. Dat lezen we in de bijbel wel vaker, dat God niet precies doet wat wij in het gebed van Hem verlangen (2 Samuel 12. 13 - 23, Jeremia 15. 1, Lucas 22.42, om een paar voorbeelden te noemen). Het gebed is geen middel om onze zin door te zetten. Daarom heeft ook de Here Jezus Christus in het “Onze Vader” ons geleerd te bidden: “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde”. Wij geloven als christenen dat niet wij weten wat goed is, ook voor ons, maar dat Hij dat beter weet. Christenen komen er soms achter dat verdrukking en lijden en handicaps niet alleen maar negatief zijn, maar soms het goede voor ons bewerken (1 Petrus 1. 7, Hebreeën 12. 11, Psalm 119. 75). Niet dat je dat direct accepteert of er vroom in berust. Die ontdekking doe je na strijd, na opstand zelfs, na strijd met God vaak (Psalm 73 en Genesis 23. 24 - 32). Je berust in Gods wil na strijd met Gods wil. Zo ook hier Paulus. Hij is het er niet mee eens dat hij is zoals hij is. Hij heeft driemaal gebeden. Drie is een getal dat in de bijbel volkomenheid aangeeft, zoals in de uitdrukking: de derde hemel. Dat is de volle zaligheid. Je zou kunnen zeggen dat Paulus een volheid van tijd gebeden heeft, dus niet letterlijk drie keer maar vele malen. Maar de doorn blijft. Er verandert dus niets? Jawel, er verandert wel iets. Paulus verandert. Hij krijgt van God overvloedig kracht, moed en blijmoedigheid om zijn handicap te dragen. Hij krijgt de Heilige Geest in zo ruime mate dat hij zich al met al sterker voelt. Paulus wordt juist door die zwakheid krachtig. Paulus zegt dat even verderop: “want als ik zwak ben dan ben ik machtig". Dit overdenkende kunnen we alleen maar zeggen dat Paulus niet voor niets gebeden heeft. Hij is wel degelijk gehoord. Zijn smeekbeden zijn in de hemel door God ernstig genomen. Daarom zegt David in Psalm 65: "Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft".
Psalm 151 Zoals bekend telt het boek van de Psalmen 150 hoofdstukken. Toch bestaat er een Psalm 151, die op naam van David wordt gezet. Deze Psalm is in heel oude Psalmboekjes nog te vinden. Na de 150 Psalmen staan er dan “enige gezangen”, en daaronder is ook Psalm 151 gezet. Deze Psalm 151 werd dus vroeger ook wel gezongen, een grootmoeder van me kende hem nog uit haar hoofd. In die berijmde versie luidde het eerste couplet: Ik was een jongeling, nog teder en gering, bij broed’ren laag geacht, men had mij in het veld, als herder aangesteld, daar hield ik trouw de wacht, en weidde 't wollig vee. Toen maakt' ik, wel te vrê, een harp met eigen handen. Ik greep het snarentuig, 'k zong psalmen; van ’t gejuich weergalmden onze landen.” De Psalm werd gezongen op de melodie van Psalm 19. De tekst van deze psalm 151 in de onberijmde versie luidt als volgt: “Van David. Na zijn overwinning in de strijd met Goliat. Kleiner was ik dan mijn broeders, de jongste bij vader thuis. Hij stelde mij tot herder van zijn kudde. Mijn handen maakten een instrument; mijn vingers maakten een lier. Maar wie kan vertellen de grote daden van mijn Here? Dit alles merkte God, dit alles hoorde Hij en Hij gaf er gehoor aan. Hij zelf zond zijn profeet, Hij liet mij vanachter de kudde van mijn vader halen, en hij zalfde mij met zijn heilige olie.
Mijn broeders waren schoon van gestalte en groot van
postuur, maar de Here heeft niet op hen Zijn keus laten vallen. Maar ik trok zijn eigen zwaard, onthoofde hem en zo verwijderde ik de smaad over de kinderen van Israël”.
Oorsprong Waar komt deze Psalm vandaan? De Psalm is in ieder geval heel oud. Hij duikt voor het eerst op in de derde eeuw voor Christus. In die tijd werd er door Joden een Griekse vertaling gemaakt van het Hebreeuwse Oude Testament. Er gingen in die tijd steeds meer Joden buiten Israël wonen, in de Griekstalige wereld. Hun kennis van het Hebreeuws werd minder, vandaar dat er de behoefte aan een Griekse vertaling kwam. Die vertaling heet de Septuaginta, letterlijk betekent dat “Zeventig”. Die naam is verbonden met een oude legende. Volgens die legende waren er 72 vertalers tegelijkertijd bezig om het Oude Testament te vertalen in het Grieks. Toen ze hun vertalingen na 72 dagen werken naast elkaar legden, bleken ze allen tot precies dezelfde vertaling te zijn gekomen. Daarin zag men een wonder. Deze legende moest de betrouwbaarheid van de Septuaginta nog eens onderschrijven. De Septuaginta heeft ook groot gezag gekregen. Immers, in het Nieuwe Testament wordt het Oude Testament ongeveer 300 keer aangehaald. Tweehonderd keer wordt dat dan gedaan op de wijze waarop de Septuaginta het oude Testament vertaald heeft.
Verschillen Nu zijn er tussen de Septuaginta en het Oude Testament, zoals ons dat is overgeleverd, heel wat verschillen. De Septuaginta laat heel wat woorden, soms hele zinnen of hoofdstukken weg. De Septuaginta is zodoende meer dan 10 % korter dan ons Oude Testament. Aan de andere kant staan er in de Septuaginta weer hele hoofdstukken en bijbelboeken die niet in onze bijbel staan. Zo staat er in de Septuaginta een “Boek van de Lofzangen”, een “Brief van Jeremia”, het boek “Bel en de Draak”, het boek “Susanna”en de “Psalmen van Salomo”. Losse toegevoegde hoofdstukken zijn er met daarin bijvoorbeeld een gebed van koning Manasse, een lofzang van de drie vrienden van Daniël, en ook de al genoemde Psalm 151 van David. Hoe laten die verschillen zich verklaren? Vaak is er gedacht dat de Septuaginta een heel vrije vertaling is van het Hebreeuwse Oude Testament, waarbij de vertalers heel losjes met de tekst omgingen. Dat zou kunnen, maar dat verklaart nog niet hoe het komt dat er in de Septuaginta hele nieuwe stukken zijn toegevoegd. Een betere verklaring is dat de Septuaginta ook gebruik heeft gemaakt van allerlei boeken, die niet in onze bijbel terecht zijn gekomen. Dat die boeken er waren wordt immers in de bijbel al aangegeven. Zo wordt er bijvoorbeeld verwezen naar het “Boek van de Oprechte” (Jozua 10: 13, 2 Sam.1: 18), het “Boek van de oorlogen van de Here” (Num.21: 14) en het “Boek van de geschiedenissen van Salomo” (1Kon. 11: 41). Onze bijbel is dus een keuze uit al die boeken, een iets andere keuze heeft de Septuaginta gemaakt. In die tijd lag nog niet strikt vast welke boeken tot de bijbel behoren en welke niet.
Canon Op een geven moment heeft de kerk een duidelijke keuze gemaakt welke boeken tot de bijbel behoren en welke niet. De boeken die tot de bijbel behoren worden de canonieke boeken genoemd, de boeken die er niet echt bijhoren, maar er toch wat tegenaan hangen zijn de deutero-canonieke boeken. De deutero-canonieke boeken kunnen wel gelezen worden, en er kan lering uit getrokken worden, maar ze hebben niet dezelfde kracht en hetzelfde gezag als de canonieke boeken (Artikel 6 Nederlandse Geloofsbelijdenis). Uit deze sfeer van boeken stamt dus ook Psalm 151. Interessant is nog om op te merken dat Psalm 151 niet alleen in de Septuaginta staat, maar ook is terug gevonden in de Dode Zee-rollen. Die boekrollen zijn in 1947 gevonden, maar ze stammen uit de tijd van de Here Jezus. Dat laat nog een keer zien dat deze Psalm 151 oude papieren heeft en dat men het waard vond om hem te bewaren. Dat Psalm 151 hoog gewaardeerd werd, blijkt ook daaruit dat hij tot in de negentiende eeuw in ons psalmboek heeft gestaan. Is Psalm 151 echt van David? Dat zou goed kunnen, maar het is niet te bewijzen dat het zo is, of dat het niet zo is. In ieder geval bezingt Psalm 151 de onvolprezen God van Israël, Die niet het sterke en edele van deze wereld zoekt, maar de geringe en mindere uitkiest (Ps. 113: 7,8). Daarvan kon David meezingen, daarover mocht Maria in haar lofzang zingen: “Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd” (Luc. 1: 52).
Ten slotte Tot slot een gedicht van Willem de Mérode (1887-1939), met de titel ‘De Vlucht’. Willem de Mérode is in zijn leven er diep van onder de indruk gekomen hoe God in Zijn overmacht de harten van onwillige mensen tot zich neigt. Het volgende gedicht is één van de gedichten waarin De Mérode dat verwoordt:
Die Gij besloot te zoeken, hij ontkomt U niet, al kruipt hij in de hoeken van moeite en verdriet.
Gij weet hem wel te vinden in arbeids schuur, waar hij zich als een linde- blad drukt aan de muur.
En mocht hij zich verschuilen in liefde en plicht, een kever in rozentuilen tussen schaduw en licht,
Gij schudt hem uit de bloemen met tedere spot, tot hij U zal noemen: mijn Heer en mijn God!
F. Heikoop
Oktober 2007 Meditatie “Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: “De HERE is mijn banier”. En hij zei “De hand op de troon van de HERE! De HERE heeft een strijd tegen Amalek, van geslacht tot geslacht” (Exodus 17: 15 en 16).
Van Mozes zijn een paar gebeden bekend. De bekendste zal wel zijn Psalm 90, die vaak met Oudjaar gelezen of gezongen wordt. Maar hier is sprake van een ander gebed van Mozes en hier wordt zijn gebed genoemd: "de hand op de troon van de HERE, want de HERE heeft een strijd met Amelek van geslacht tot geslacht”. De geschiedenis is snel verteld. Amelek heeft Israël overvallen toen het op weg was naar de Sinaï. Amelek woonde bij Rafidim, een prachtige woestijnvallei met rijke plantengroei. Israël kon niet bij de waterbronnen komen omdat Amelek hier een kamp had opgeslagen. Toen ze vermoeid en dorstig waren sloeg Amelek toe en wel op een bijzonder geniepige en achterbakse manier. De Amelekieten maakten een omtrekkende beweging en sloegen Israël in de achterhoede. Daar waren de ouderen, de kinderen en de vrouwen, de zwakkeren van het volk. Hier dus een satanische poging om te verhinderen dat Israël bij de Sinaï met God een verbond zou sluiten. Mozes onderneemt daarna een tegenaanval en Jozua leidt de troepen. Mozes klimt de berg op om voor het strijdende volk te bidden. Zijn staf is het teken van zijn volmacht en die houdt hij omhoog. Dat is natuurlijk een ongemakkelijke houding en daarom steunen Aäron en Hur de armen van Mozes. Zo kon Mozes de staf tot zonsondergang omhoog houden en kon Jozua Amelek overwinnen. Mozes bouwt daarna een altaar en dan zegt hij de woorden: "De hand op de troon van de HERE! De HERE heeft een strijd tegen Amelek van geslacht tot geslacht". Het volk heeft overwonnen, Mozes heeft gebeden en vergeet niet om te danken. Soms moeten we met schrik ontdekken dat we God niet gedankt hebben voor wat Hij ons op een intens gebed geschonken heeft. Dankbaarheid tonen is onmisbaar. Zegt de Psalmdichter niet: "Loof de HERE mijn ziel, en vergeet niet één van Zijn weldaden". Bidden is spreken tot God en je kunt bidden omschrijven als: smeken, aanroepen, danken, pleiten, enz. Hier omschrijft Mozes bidden als: de hand op de troon leggen. De troon is de plaats van waaruit God spreekt. Je kunt in nood je handen wringen, je kunt in nood je handen tot vuisten ballen, je kunt je handen gebruiken om ermee te slaan of ze machteloos in je schoot te leggen. Mozes legt de hand op de troon van God. Dat is nogal wat, je handen op de troon van God leggen. Want wie naar zijn handen kijkt beseft hoeveel verkeerds we daarmee gedaan hebben. Wie is rein van handen? Maar in Openbaring 5. 6 wordt verteld dat op de troon een Lam staat, staande als geslacht. Dankzij Hem mogen wij naar God toegaan en heeft ons gebed de kracht alsof wij de troon van God zelf aanraken. Eigenlijk een ongelooflijke gedachte. Het heeft haast iets van met God mogen meedenken. Daarom kan ons bidden maar het beste zijn dat wij Gods eigen woorden gebruiken. God herinneren aan wat Hijzelf beloofd heeft. Zijn belofte is groot, die mag ons leven met vreugde vervullen.
En verlos ons van het Stockholm-syndroom Enige tijd geleden stelde de toenmalige Franse president Chirac dat Frankrijk ontstaan was door de invloeden van het christendom, het jodendom en de islam. Een vreemde opvatting. Joden hebben er al sinds de Romeinse tijd in Frankrijk gewoond. In 496 bekeerde de Franse koning Clovis zich tot het christendom. Maar moslims hebben er tot aan 1950 nauwelijks in Frankrijk gewoond. Integendeel, in 732 versloeg Karel Martel in de slag bij Poitiers de oprukkende moslim-legers. Karel verdiende er de bijnaam ‘Martel’ mee, dat betekent ‘hamer’, omdat hij ‘de Arabieren vermorzelde’.
Vanwaar dan zo’n vreemde uitspraak dat Frankrijk in zijn geschiedenis door de islam gevormd is? Waarschijnlijk wilde de Franse president een wit voetje halen bij de groeiende groep moslims in Frankrijk. Ondertussen werd er met de waarheid een loopje genomen. Vanwaar de neiging in Europa, om niet meer te durven staan voor een geschiedenis die door het joods-christelijke gedachtegoed is gestempeld? In de discussies over de Europese grondwet kwam dat pijnlijk aan het licht. Het eenvoudige historische feit, dat Europa diepgaand door met name het Christendom gevormd is, daar lopen velen het liefste omheen.
Waar komt deze houding vandaan? Ik las daarover een interessant artikel van de hand van Gert-Jan Segers, die is uitgezonden door de Gereformeerde Zendings Bond naar Caïro. Hij is daar docent aan een christelijk studiecentrum, en hij heeft veel contact met Egyptische moslims. Zijn artikel heet; “Verlos ons van het Stockholm-syndroom”.
“Hoe is het toch mogelijk dat juist in de
hoogtijdagen van het moslimterrorisme - 9/11, Madrid, Londen, Hofstadgroep - een
groeiend aantal westerlingen zich tot de islam bekeert? Waarom zijn er
weldenkende westerlingen die geen kwaad woord over de islam kunnen horen? En hoe
komt het toch dat de meeste Nederlandse politici drukker zijn met het
bekritiseren van Wilders dan dat ze zelf iets zinnigs te berde brengen over de
verhouding tussen de huidige islam en de Westerse rechtsstaat? Toen ik me pas
het hoofd brak over deze vragen, schoot het me te binnen: het Stockholm-syndroom!
Ten slotte Ten slotte een gedicht van Gabriël Smit (1910-1981), die woonachtig is geweest op Noordereinde 12 te ’s-Graveland, met de titel: “Psalm VIII”:
Hoe heerlijk, Heer, breidt overal op aarde Uw Naam zijn luister en verrukking uit; Ik zing uw glorie, die de wolken klaarde, Uw zegepraal, die alle ding omsluit.
Het prilste leven trilt van al uw zegen, In kinderen stemt Gij uw loflied aan, Opdat uw vijand zwijgt en allerwegen Uw haters langs verloren wegen gaan.
Ik zie de hemel, door uw kracht geslagen, De maan, de sterren, op uw wenk gerijd, Wat is de mens dan dat Gij hem wilt dragen, Het mensenkind dat Gij hem Vader zijt?
Haast als een godheid hebt Gij hem verheven, Bijna Uzelf gelijk, vlam van een vuur, Met licht en flonkeling omgeven, In U ontstijgend aan bestek en duur.
In U geroepen tot bewust regeren Van wat uw hand de zijne achterliet; De wereld aan uw voeten wacht uw zegen Als hij in uw Naam alle stof gebiedt.
De schapen, koeien, redeloze dieren, Getemd of dravend in het open veld, De vogels die door ’t vrije luchtruim zwieren, De vissen in de zeeën, ongeteld,
Zij alle zijn het, die uw heil hem spaarde, Zijn lof, zijn dienstbaarheid, zijn macht, zijn buit, - Hoe heerlijk, Heer, breidt overal ter aarde Uw Naam zijn luister en verrukking uit.
F. Heikoop
September 2007 Meditatie "Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers aan uw blijdschap". (2 Kor. 1. 24)
De brieven van Paulus zijn niet eenvoudig. Daar had zelfs Petrus al moeite mee. Eigenlijk zou je je eerst altijd moeten afvragen: waarom schrijft hij zijn brieven? Daar moet een aanleiding voor zijn geweest. En aan wie schrijft hij een brief? Zonder zulke achtergrondvragen kom je er niet uit. Welnu, de aanleiding voor de tweede brief aan de Korinthiërs is dat het tussen de Korinthiërs en Paulus niet goed zat. Eigenlijk vond men in Korinthe dat Paulus niet mooi genoeg preekte en dat hij teveel fouten in de gemeente aanwees. Dit laatste wordt uiteraard zelfden gewaardeerd. Er was nogal wat niet in orde in de gemeente van Korinthe. De gemeente was uiteen gevallen in elkaar bestrijdende groepen. Sommige mensen zaten dronken aan het Heilig Avondmaal en er was iemand die samen leefde met zijn stiefmoeder zonder dat men er iets van zei. Ook christenen maakten gebruik van de diensten van de vele prostituées in deze havenstad. Voorts waren er mensen die de opstanding van de doden ontkenden. Men sleepte elkaar voor allerlei conflicten voor de rechter. Er wordt wel eens gezegd dat in de kerk alles zo moet worden, zoals het in de eerste christelijke gemeenten was. Maar als je bedenkt wat er in de gemeente van Korinthe allemaal loos was raak je dat verlangen snel kwijt. Bij de gedachte dat vroeger alles zoveel beter en vromer was kun je levensgrote vraagtekens plaatsen. Maar goed, er was wrijving tussen Paulus en de Korinthiërs. Paulus’ aangekondigde bezoek was een keer of wat uitgesteld. Niet omdat hij zomaar wat beloofde en het niet deed, zoals zijn tegenstanders beweerden, maar om de Korinthiërs te sparen (vers 23). Want Paulus zou echt heel wat moeten rechtzetten. Dit gezegd zijnde, zou onmiddellijk de verkeerde gedachte naar boven kunnen doen komen dat Paulus een soort dictator zou zijn die met enkele machtswoorden ieder zijn plaats zou wijzen. Daarom voegt hij er snel aan toe: "Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof". Er is er maar Een die iets over ons geloof te zeggen heeft, en dat is Jezus Christus. Het woord van en over Hem is de bijbel. Daarin wordt ons aangewezen hoe wij mogen geloven om het eeuwige leven te krijgen. Zo is het nog. Niet de wetenschap bijvoorbeeld mag heersen over ons geloof. Alsof die ons zou kunnen gebieden: u mag niet in de opstanding uit de doden geloven, u mag niet in de schepping van hemel en aarde geloven, want dat is niet wetenschappelijk. Juist vandaag de dag zijn veel wetenschappers tot de ontdekking gekomen dat de wetenschap wel heel veel kan veronderstellen maar eigenlijk heel weinig zeker weet. De geschiedenis leert ook dat veel "wetenschappelijke" inzichten vaak na een aantal jaren moeten worden bijgesteld of veranderd. Maar ook de traditie mag niet heersen over ons geloof. Zoals: wij zijn niet gewend om aan het Avondmaal te gaan! Of: ik moet bekeerd worden op een manier zoals dat boek, dat televisieprogramma, zoals die dominee het zegt. Laat u alleen beheersen door Gods woord en onderzoek dat door persoonlijke bijbellezing en door de kerkgang waarin de Schrift wordt uitgelegd. Niet heersen, maar medewerkers aan uw blijdschap. Had u dat verwacht, zo'n omschrijving van iemand die het Woord van God doorgeeft? Dat is dus de taak van Paulus, van een predikant nu, van een ouderling die bij u op huisbezoek komt, van gemeenteleden die u in contact willen brengen met het evangelie. En u weet, evangelie betekent ‘blijde boodschap’. Verdriet, angst, moedeloosheid, wanhoop en twijfel haalt u uit deze wereld, vindt u in uw eigen leven, zijn vaak het gevolg van onze activiteiten. Maar liefde en blijdschap stralen u toe vanuit het evangelie, nodigen u door het Woord van God uit om daaraan deel te krijgen. Het evangelie is er niet om ons somber of zwaarmoedig te maken. Dat wordt je wel als je goed nadenkt over wat wij in ons leven gedaan en nagelaten hebben. Dat is niet best. Om niet van te slapen. Maar de blijde boodschap van de bijbel is dat God zover gegaan is in Zijn liefde dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft (en wat kan Hij méér geven) opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwige leven zou hebben. Bij Hem is vergeving, toekomst en eeuwige blijdschap te vinden. Die boodschap wordt u iedere week verkondigd en wordt u doorgegeven als iemand van de kerk u opzoekt. Zij willen medewerken aan uw blijdschap.
Ontkerkelijking Amsterdam Ik wil nog even terugkomen op de geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Amsterdam, waarmee ik me tijdens mijn studieverlof heb bezig gehouden. Eén van de dingen die me opviel is de geringe omvang die deze gemeente bij tijd en wijle heeft gehad. Hoe groot de Hervormde Gemeente in Amsterdam in de zestiende eeuw is geweest, is nu moeilijk meer te achterhalen. Een zekere ds. Trigland zei in 1620 dat de Hervormde Gemeente toen 20.000 leden telde. Maar zijn tegenstanders zeiden, waarschijnlijk niet zonder reden, dat die schatting veel te hoog was. Op dat moment woonden er circa 100.000 mensen in Amsterdam. De burgemeesters en schepenen waren meest hervormd. Maar het totaal aantal hervormden zal dus minder dan 20 % van de bevolking zijn geweest. Ook de plaatsen waar in die tijd kerkdiensten werden gehouden, maken duidelijk dat de Hervormde Kerk bepaald niet zonder concurrentie was. De Hervormde Gemeente hield kerkdiensten in de Oude Kerk, de Nieuwe Kerk, en in een aantal kapellen. Maar op tientallen andere plaatsen waren er samenkomsten van onder anderen Lutheranen, rooms-katholieken, doopsgezinden, remonstranten, baptisten en van diverse groepen die als sekten of ketters aangemerkt werden. Het beeld dat Amsterdam geeft, gaat op voor veel steden en dorpen in Nederland: de kerkelijke gemeenten waren klein, slechts een gering deel van de bevolking was lid van de Hervormde Kerk. Ook de kerkgang was niet overal even intensief, om het vriendelijk te zeggen. Interessant is wat dat betreft ook een bepaling op de synode van Dordrecht in 1618. Opgedragen werd aan predikanten om zondagsavonds uit de Heidelbergse Catechismus te preken. Predikanten moesten daarmee doorgaan, ook wanneer naast de ouderling van dienst en de predikant zelf alleen zijn vrouw en kinderen de kerkdienst bezochten.
Hoogtepunt De grootste omvang die de Hervormde Gemeente van Amsterdam heeft gehad ligt rond 1850. Dat was een tijd waarin ook de kerkgang bloeide. Het was de tijd van de romantiek, waarin godsdienst nogal ‘in’ was. Het is geen toeval dat juist in die tijd in veel kerken balustraden werden gebouwd, om alle kerkgangers een plaats te kunnen geven. Als ik goed ben ingelicht stamt de balustrade in onze kerk ook uit die dagen. Het kon niet op, zeker niet toen in 1850 de vrijzinnigheid zijn intrede deed in Amsterdam. De diensten van vrijzinnige predikanten werden zo druk bezocht, dat er ook weer diensten door de weeks werden gehouden, om de toestroom op zondag wat te beperken. Na afloop van zo’n kerkdienst stond bij de uitgang van de kerk een drukkersknecht te wachten op de predikant. Hij nam dan diens net gehouden preek direct mee naar een drukkerij, zodat die de volgende dag meteen gedrukt en wel verkocht kon worden. Maar het bleef niet lang zo. Dezelfde vrijzinnige predikanten kregen 10 jaar later de bijnaam ‘predikanten van half licht’. Die naam kwam bij kosters vandaan; wanneer zo’n vrijzinnige predikant ’s avonds voorging hoefden alleen de lichten in het voorste deel van de kerk aangedaan te worden, het achterste deel van de kerk bleef bij hen onbezet. Over een hype gesproken.
Opgang en neergang Na de bloeiperiode van rond 1850 trad er neergang op. Eén van de gevolgen van de vrijzinnige verkondiging was ook dat een grote groep orthodoxe hervormden in 1886 uit protest de Hervormde Kerk verliet. Zij richten de Gereformeerde Kerken op, waardoor de Hervormde Kerk danig verzwakt werd. Ook de kerkgang werd minder. Rond 1920 werd de Jeruzalemkerk gebouwd. Zij had 1.000 zitplaatsen, en dat aantal was genoeg voor de ruim 11.000 hervormden die tot deze wijkgemeente behoorden. De Tweede Wereldoorlog gaf opnieuw een ongekende bloei. De ontberingen en onzekerheid van die periode zullen daaraan bijgedragen hebben. Na de oorlog werd er in iedere nieuwe wijk van Amsterdam een Hervormde Kerk gebouwd. De meest opvallende is wel de Opstandingskerk die in 1956 in Amsterdam-West gebouwd werd, en vanwege haar vorm de bijnaam ‘de kolenkit’ kreeg. De kerk is nu nog zichtbaar vanaf de rondweg van Amsterdam. Maar ook die periode van opbouw hield niet aan. De neergang van de Hervormde Kerk in Amsterdam sinds de jaren zestig is groot. Toen de Bijlmer gebouwd werd kwam niemand op het idee dat er misschien ook nog ruimte voor een kerk nodig was. Merkwaardig genoeg is de Bijlmer nu een plaats waar op tientallen plaatsen, vaak in schuren of garages, (immigranten-)gemeenten samenkomen. Wie weet wat zij ooit nog eens voor de Nederlandse kerken mogen betekenen. In elk geval is door hun aanwezigheid Amsterdam nog steeds een stad waar de lofzang tot God bepaald niet verstomd is.
Overheidsinvloed Eén van de redenen dat de Hervormde Kerk zo’n belangrijke positie heeft ingenomen zal ongetwijfeld zijn dat de Hervormde Kerk de bevoorrechte kerk was. De regenten en machthebbers van de zestiende en zeventiende eeuw waren overwegend hervormd. In 1798 werd de bevoorrechte status van de Hervormde Kerk afgeschaft, maar toch zou het nog jaren duren voordat die bevoorrechte positie werkelijk voorbij was. Een grootvader en grootmoeder van mij werden in 1899 en 1902 geboren in de kleine Betuwse dorpjes Deil en Enspijk. Zij konden zich nog herinneren hoe na de oogst iemand namens de Hervormde Kerk 10 % van de opbrengst van de oogst kwam ophalen. Op de openbare school moesten mijn grootouders de Heidelbergse Catechismus uit hun hoofd leren. Een typerend voorbeeld van overheidsinvloed is ook dat sinds de Reformatie de Hervormde Kerk alle diakonale fondsen beheerde. Wie steun nodig had, kon dat vinden bij de diakonie van de Hervormde Kerk. Deze omstandigheid heeft velen bij de kerk gehouden. Maar toen in 1960 de Algemene Bijstandswet werd ingevoerd kon iedere steunbehoevende bij de overheid aankloppen. In veel Hervormde Gemeenten is in de loop van 1960 de kerkgang met een kwart afgenomen.
Onze blik Onze blik op de kerk wordt voor een groot deel bepaald door de neergang van de Hervormde Kerk sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat kan ons somber stemmen. Ik wil niets afdoen aan de ernst van de situatie, waarin veel gemeenten verkeren. Maar er mag ook opgemerkt worden dat wij de neergang na een ongekende bloeiperiode meemaken. De hervormde gemeenten van onze dagen krijgen weer de omvang die ze in het verleden ook vaak gehad hebben. Bedacht mag worden wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 27 over de kerk zegt: “De Kerk is er geweest van het begin der wereld af en zal er zijn tot het einde toe; want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige Kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de gehele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein is en tot niets schijnt te zijn geworden in de ogen van de mensen. Zo heeft de Here gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab 7.000 mensen voor Zich behouden, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden”. In de tijd van Achab moest de kerk in het beloofde land ondergronds. In onze tijd mogen we zondag aan zondag bijeenkomen om in alle vrijheid de God van Israël te belijden en te eren. Cijfers en statistieken kunnen ons verleiden tot Davids zonde bij de volkstelling. We hebben niet te vertrouwen op mensen, op aantallen, op aardse macht of invloed, maar alleen op de genade en trouw van God. Zijn grote trouw in Zijn verbond, dat is de hoop die we hebben voor ons en onze kinderen.
Ten slotte Het meest geliefde kerklied in de Engelstalige wereld is zonder enige twijfel het lied “Amazing Grace”, oftewel: ‘Verbazingwekkende genade’. Met name in Amerika zal het bij vrijwel iedere inwoner bekend zijn. De dichter ervan was een Engelsman, een zekere John Newton (1725-1807). Newton was kapitein van een schip dat slaven vervoerde. Hij deed aan God noch gebod, totdat zijn schip op 10 maart 1748 in een zware storm terecht kwam. Newton werd ’s nachts wakker, zag tot zijn ontzetting dat zijn schip volliep met water, bad om Gods genade en zei het Onze Vader op. Het schip werd uiteindelijk gespaard, en op de weg naar de haven begon Newton al intensief in de bijbel te lezen. De rest van zijn leven heeft hij die tiende maart als de dag van zijn bekering herdacht. Dat een bekering een mens maar ten dele verandert en vernieuwt, en dat ook altijd de oude mens blijft voortleven, bleek wel uit het vervolg: Newton hield op met vloeken, gokken en drinken, maar ging wel verder met de handel in slaven. Pas zes jaar later, in 1754, besloot hij niet langer daarmee verder te gaan. Hij ging theologie studeren en werd in 1757 predikant in de Anglicaanse kerk. Dat hij was doorgegaan met de handel in slaven heeft hem later erg dwars gezeten en diep berouwd. Toen hij terugkeek op zijn bekering zei hij dat hij toch pas een aantal jaren na 1748 werkelijk tot geloof was gekomen. Later is Newton één van de grootste en invloedrijkste tegenstanders van de slavernij geworden. In 1772 schreef Newton het gedicht “Amazing Grace”. De aanleiding vond Newton in de nederige dankbetuiging in een gebed van David, dat te vinden is in I Kronieken 17: 16-27. Daarin staan onder andere deze woorden: “Wie ben ik, HERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt”. Met name in Amerika tijdens de burgeroorlog en in de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig is het lied veel gezongen. De schitterend melodie ervan is van Ierse of Schotse oorsprong, waarschijnlijk een doedelzakmelodie. De melodie is in Nederland ook bekend geworden door het lied “Waarheen, waartoe leidt toch de weg” van Mieke Telkamp, tot voor kort een klassieker op begrafenissen en crematies. Maar de tekst van Telkamps gedicht is erg vragend, zonder veel antwoord te geven, en heeft dan ook weinig te maken met het gedicht “Amazing Grace”. De inhoud van “Amazing Grace” is juist van begin tot eind vol van de zekerheid van het geloof. Het gedicht is een geweldige belijdenis dat er voor verloren mensen maar één redding is: de genade van God. Er bestaan van dit gedicht verschillende vertalingen, en ik vond het moeilijk er één te kiezen. De vertaling, waar zeker wel wat op aan te merken is, maar die toch het dichtste bij de oorspronkelijke tekst komt is deze:
Genade Gods, oneindig groot, geeft mij wat ‘k niet verdien. Ik was verloren, geest’lijk dood, ‘k was blind, maar kan nu zien.
Genade gaf mij vrees in ‘t hart en bracht mij nieuwe moed. Gewassen van mijn zond’ en smart in Christus’ dierbaar bloed.
Door veel gevaren en door nood heeft Hij mij al geleid. ‘t Is Zijn genade en Zijn dood, die mij ten hemel leidt.
De Heer heeft mij heel veel beloofd, Zijn woord zal eeuwig staan. Hij is mijn Schild en Opperhoofd, Die mij steeds voor zal gaan.
En als dit stoff’lijk lichaam faalt, mijn leven hier vergaat, dan wordt mij vrede toegestraald, door God, mijn Toeverlaat.
De hele aarde valt en beeft, de zon geeft niet meer licht, de Heer, Die mij geroepen heeft, toont mij Zijn aangezicht.
Na zelfs tien duizend jaren lang, licht stralend als de zon, dan prijs ik Hem nog net zolang, als toen het eerst begon.
F. Heikoop
Juli 2007
Meditatie "Alles heeft een bestemde tijd" (Prediker 3: 1)
Vandaag de dag voelen veel mensen zich opgejaagd. Dat uit zich soms in stress of overspannenheid. Totdat we echt niet verder meer kunnen. De kerkvader Augustinus zegt hierover zo treffend: "Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God". En de Here Jezus zegt: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven". Na inspanning heb je rust nodig. Wie voortdurend onder hoogspanning staat, zonder ontspanning, komt tot overspannenheid. Welnu, de bijbel maakt dat ook in dit vers duidelijk. Als u een bijbel bij de hand hebt, is het schitterend om de eerste veertien verzen van dit hoofdstuk eens te lezen. Er is overal een tijd voor. En er mag regelmatige afwisseling zijn. Dat komt men direct al op de eerste bladzijde van de bijbel tegen. De afwisseling van dag en nacht. Werk en rust. De afwisseling van zes werkdagen en een dag rust. Laten we dankbaar zijn dat we in een land leven waar naar Gods gebod steeds een rustdag is. God heeft de schepping zo ingericht dat er de afwisseling van de seizoenen is. Na de lente volgt de zomer, na de herfst de winter. Je zou kunnen stellen dat het een Goddelijke orde is. Alles heeft een bestemde tijd. In zekere zin zou je dit ook kunnen zeggen van een mensenleven. Er is in deze wereld een tijd van kind zijn, van jong zijn, volwassen zijn en van oud worden. Wie met God leeft mag ook die tijdperken uit Zijn hand ontvangen. De kindertijd met zijn zorgeloosheid, de jeugd met alle activiteit, de volwassenheid met alle verantwoordelijkheid. En dan komt er een fase die vandaag de dag niet hoog genoteerd staat, namelijk de ouderdom. Ook deze fase van het leven heeft pluspunten: de rust, de bezinning en de levenservaring. Ook in het geestelijk leven is er de afwisseling. Het kinderlijk geloof, dat zo onwankelbaar vast kan staan, zo vol overgave kan zijn en zo volkomen vanzelfsprekend is. Wie als volwassene pas gelooft denkt vaak de wereld te kunnen bekeren en goed en vroom te kunnen leven. En dat is vaak ook de tijd van het spontane en het enthousiaste geloven in God en Zijn Zoon. Maar wie wat langer met deze zaken bezig is, ontdekt dat de macht van het kwaad in de wereld en ook in eigen leven nog zo groot is. Dan komt er vaak een diepe afhankelijkheid tegenover God en dat is merkbaar aan een verdiept gebedsleven. Ten slotte mag meestal bij oudere mensen het vertrouwen en de hoop op en de zekerheid van de genade van de Here Jezus Christus gegroeid zijn. Daarvan gaat het getuigenis uit, dat het evangelie in je leven geen tijdelijke modegril is maar iets dat blijvend ons leven betekenis en zin geeft. Alles heeft zijn bestemde tijd. Er was een tijd van uitzien naar de komst van de Here Jezus Christus, "Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden". En die Zoon en Zijn vergeving en Zijn toekomst worden ons nu meegedeeld en aangeboden. Ook als u dit leest. Daarom kan nu gezegd worden dat we leven in de "aangename tijd" en de "dag der zaligheid". De tijd waarin iedereen die de naam van de Here aanroept, behouden zal worden.
Scheiding kerk en staat Studieverlof Een aantal weken na Pasen heb ik genoten van het tweede deel van het vijfjaarlijkse studieverlof, het eerste deel had ik vorig jaar al opgenomen. Ik heb me beziggehouden met de geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Amsterdam door de jaren heen, en dan vooral ook de eerste jaren van haar bestaan, van 1578 tot 1650. Eén van de dingen die dan opvalt, is de geheel verschillende relatie die er in die tijd was tussen de kerk en de staat. De Hervormde Kerk is nooit staatskerk geweest, zoals toen in veel landen gebruikelijk was. Maar de Hervormde Kerk stond ook bepaald niet los van de staat. Ze had een aantal privileges, die andere kerken niet hadden. Zo beschikte de Hervormde Kerk vanouds over alle diaconale kassen, waarmee armen werden verzorgd. Dat bracht heel wat invloed bij de diaconie, en kerkgangers in de kerk. De Hervormde Kerk wordt vaak de ‘bevoorrechte kerk’ genoemd, geen staatskerk, maar toch een kerk met een bijzondere positie. Ze had een bepaald geestelijk gezag, dat ook door de staat erkend werd.
Overheidsinvloed Voor niks gaat de zon op. De staat gaf de Hervormde Kerk een bijzondere positie, maar probeerde ook zoveel mogelijk invloed op die kerk te houden. Zo moest een kerkenraad die een predikant wilde beroepen, daarvoor eerst toestemming van de burgemeester(s) ontvangen. De predikant werd immers ook door de staat betaald, zowel zijn studie als zijn latere inkomen. Ook werden de kerkgebouwen onderhouden door de burgerlijke gemeenten, dus waren kerkvoogdijen niet bepaald vrij in het beheer van de kerkelijke goederen. Predikanten die in een preek al te kritisch waren over openlijk tentoongestelde rijkdom door bepaalde personen, werden nogal eens door regenten, die zich natuurlijk aangesproken wisten, op het matje geroepen en zelfs wel eens vastgezet. Een opmerkelijk feit. Uit heel Europa kwamen mensen met afwijkende opvattingen naar Amsterdam omdat daar een grote mate van vrijheid was. Maar vrijwel de enigen die vanwege hun standpunten of openlijke uitspraken wel eens problemen kregen, waren predikanten van de Hervormde Kerk.
Geen synodevergaderingen De bemoeienis van de staat ging nog verder. De Hervormde Kerk is de eerste eeuwen van haar bestaan overwegend orthodox geweest. Dat beviel de meer vrijzinnig ingestelde regenten maar weinig. Op de landelijke kerkvergadering, de synode van Dordrecht, werden de remonstranten veroordeeld. Maar op veel plaatsen hadden de regenten het juist voor de remonstranten opgenomen. De regenten waren dus niet zo blij met de uitkomst van de synode. Dat was één van de redenen, waarom het de Hervormde Kerk niet toegestaan werd om een volgende synode te houden. Bijna twee eeuwen lang is er daardoor geen synodevergadering meer geweest, van 1618 tot 1816. Soms hebben mensen het idee dat de kerk het vroeger voor het zeggen heeft gehad. Die gedachte moet sterk gerelativeerd worden, als je bedenkt dat de Hervormde Kerk twee eeuwen lang niet heeft kunnen vergaderen, zoals ze dat wilde.
Synode van 1816 Om met zevenmijlslaarzen nog even verder te gaan: in 1816 kwam er voor het eerst weer een nationale synodevergadering. Maar dat was niet omdat de Hervormde Kerk dat wilde. Opnieuw was het de staat die de kerk zijn wil oplegde. Koning Willem I keurde een reglementenbundel voor de Hervormde Kerk goed, waar de kerk zich voortaan aan diende te houden. Ook riep Willem I zelf de synode samen en benoemde alle synodeleden. Dit ondanks protesten van verschillende zijden, waaronder de grootste Hervormde Gemeente, die van Amsterdam. De synode sprak zich niet langer meer uit over de leer. Daardoor kwamen er allerlei verschillende stromingen op in de kerk. Feitelijk waren het niet langer de orthodoxen, die het voor het zeggen hadden. Voortaan waren het de vrijzinnigen die de koers bepaalden. Het gevolg van deze ontwikkelingen was dat in de loop van de 19e eeuw twee keer een aantal orthodoxen uit protest tegen de vrijzinnigheid de Hervormde Kerk verlieten. Zij richten de Gereformeerde Kerken en de Christelijk Gereformeerde Kerken op. Pas in 1951 werd de reglementenbundel afgeschaft en bemoeide de overheid zich niet langer met de gang van zaken in de Hervormde Kerk. Pas toen werd de Hervormde Kerk baas in eigen huis.
Scheiding kerk en staat Terugkijkend zien we dus dat de kerk in Nederland zich in een eeuwenlang proces aan de invloed van de staat heeft weten te onttrekken. Dat is goed om te bedenken, wanneer er over de scheiding van kerk en staat gesproken wordt. Er zijn heel wat politici, die net doen alsof de kerk over de staat wil heersen, of dat in het verleden heeft gedaan. Maar het verleden was in Nederland heel anders, de staat probeerde juist over de kerk te heersen. De scheiding van kerk en staat heeft er dan ook in Nederland in de eerste plaats mee te maken, dat de staat niet allesbeheersend wil zijn. Daar is die uitdrukking van ‘scheiding kerk en staat’ ook voor bedoeld, om de kerk te vrijwaren van staatsbemoeienis, niet andersom. Overigens gaat die bepleitte scheiding van kerk en staat soms zo ver dat, zodra iemand iets beargumenteert vanuit het christelijk geloof of zodra de kerk iets zegt wat een politieke lading heeft, er direct wordt geroepen: ‘maar er is toch scheiding van kerk en staat!’ Dan is die scheiding van kerk en staat haast een strijdkreet geworden, waarmee alles wat vanuit het geloof wordt beargumenteerd al van tevoren buitenspel wordt gezet. Daarmee wordt een onjuist beeld gesuggereerd van waar het in de scheiding van kerk en staat in Nederland om gegaan is. Bovendien is het weinig democratisch om overtuigingen te diskwalificeren omdat de oorsprong van die overtuiging iemand niet aanstaat. Nederland is geen socialistisch land, maar socialisten worden in onze democratie toch ook gehoord en hun stem wordt toch ook meegeteld? Ook christenen en kerken mogen hun mening geven over wat goed is voor ons land, ook al kent Nederland terecht de scheiding van kerk en staat.
Neutrale staat? In het verleden is men vaak ook voorstander geweest van een scheiding van kerk en staat omdat er heel wat Europese landen waren, waarin de staat de kant van één bepaalde kerk koos en vervolgens alle andere kerken ging tegenwerken of vervolgen. Veel van deze tegengewerkte en vervolgde christenen trokken naar Amerika. Daar vonden ze de vrijheid die er in Europa niet was. Toen de Verenigde Staten in 1776 werden gevormd, werd daar een strikte scheiding van kerk en staat vastgelegd. Maar wat bedoelde men nu met die scheiding van kerk en staat? Men bedoelde ermee dat de Amerikaanse staat nooit voor één kerk mocht kiezen en andere kerken zou tegenwerken, zoals nog zo vaak in Europa gebeurde. Maar werd daarmee ook bedoeld dat de staat zich niets moest aantrekken van wat de kerken te zeggen hebben? Dat zeker niet. De opstellers van de Amerikaanse grondwet waren overwegend christenen, die geloofden dat een staat nooit neutraal kan zijn en zich altijd moest laten inspireren door de bijbelse normen en waarden. Waar dat niet meer gebeurt, verwachtte men dat een staat zou vervallen tot een beestenbende. Scheiding van kerk en staat is nog wat heel anders dan de vraag of de staat niet ter harte zou mogen en moeten nemen wat de bijbel over goed en kwaad zegt. Gelukkig is het land waar men beseft dat het op deze aarde uiteindelijk God de Here is, Die regeert, en Die zijn heilzame wetten aan ons gegeven heeft.
Ten slotte Ik wens een ieder die thuis blijft of op vakantie gaat heel goede dagen toe. Tot slot een speels gedicht van Jacob Revius, die leefde van 1586 tot 1658. Hij was predikant, dichter, vertaler en geschiedkundige. Ook was hij één van de medewerkers aan de Statenvertaling en bestreed hij de Remonstranten.. Revius is een van de weinige dichters uit de 17e eeuw die nu nog gelezen worden. Van zijn hand zijn 7 gedichten overgenomen in het Liedboek. Zijn bekendste gedicht is “Hy droegh onse smerten”, met de beroemde eerste regel: “t’ En sijn de Jooden niet, Heer Jesu, die u cruysten”. Het gedicht hieronder heeft de titel “Lof Gods”:
Waer ick een nachtegael, ick wou mijn Schepper eeren Met sijnen grooten lof altijd te quinckeleren Dat bosschen, berch en dal sou deunen vanden clanck En de wout-vogeltgens vergeten haren sanck: K’en ben geen nachtegael, maer in veel grooter eere Een mensch, het even-beelt van aller Heeren Heere: Ick wil dan mijne stem doen hooren alle man En prijsen hem soo hooch en verre als ick can: Niet vragende een sier na al het leelijck pruylen Of misselijck getier van aexters en van uylen, Versekeret dat hy die eeuwichlijcken leeft Mijn tong’ tot sijnen roem alleen geschapen heeft.
Niet vragende een sier na=niets gevend om Versekeret=in de zekerheid
F. Heikoop
April 2007 Meditatie "En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had" (Lucas 24. 27). Jezus wandelt met de Emmaüsgangers, die er bedroefd bij lopen. Als Jezus vraagt naar de reden van hun somberheid antwoorden zij dat hun hoop op de Redder van Israel vervlogen was toen Jezus aan het kruis stierf. En de opstanding die hun door de vrouwen verkondigd was kunnen zij niet geloven. Dan gaat Jezus hen onderwijzen uit de Schriften, dat Hij deze dingen moest lijden om zo Zijn heerlijkheid in te gaan. De Schriften, dat is voor Jezus en Zijn tijdgenoten het Oude Testament. Had Jezus niet veel eenvoudiger de Emmaüsgangers Zijn handen kunnen laten zien? Had Jezus niet eenvoudig kunnen zeggen: "Ik, die naast u loopt ben werkelijk de opgestane Redder". Maar nee, Jezus gaat uit het Oude Testament bewijzen dat daar al geschreven is dat Hij moest opstaan. Met andere woorden: je komt bij Jezus via het Oude Testament. Anders gezegd: je kunt Jezus niet vinden zonder het Oude Testament en zonder het volk Israël. Dat is niet zomaar een losse opmerking van Jezus, maar een doorgaande lijn in de Heilige Schrift. Als Jezus even verderop in dit hoofdstuk bij Zijn discipelen is, zegt Hij precies hetzelfde. Weer gaat Hij uitgebreid aantonen dat heel de gang van de Messias in het Oude Testament is terug te vinden (vers 44). We komen al in de buurt van Pinksteren en hetzelfde zien we bij de eerste Pinksterpreek van Petrus in Handelingen 2: hij laat zien dat wat er op die eerste Pinksterdag aan tekenen gebeurde al in het Oude Testament terug te vinden is. Ten slotte ook nog een opmerking van de Here Jezus in Johannes 5 vers 39, daar zegt Hij tegen de schriftgeleerden: "Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het die van Mij getuigen". Het is van belang dit te onderstrepen. Er zijn tijden geweest in de kerk dat men het Oude Testament en de Joden afgeschreven heeft. Al de beloften die in het Oude Testament aan de Joden waren gegeven zouden dan nu voor de kerk gelden. De belofte van het verbond van God en Zijn eeuwige trouw zouden niet meer voor Israel gelden maar voor de gelovigen van het Nieuwe Testament. De belofte dat Israel in het beloofde land een eeuwige woning zou hebben, werd vergeestelijkt en vervangen voor het eeuwige paradijs. Deze manier van denken noemt men de vervangingstheologie. Israel heeft afgedaan en is vervangen door de kerk. Als je zo gaat denken zet je wel een deur open voor het antisemitisme. Na het verschrikkelijke dat er gebeurd is met de Joden in het rijk van Hitler is de kerk nog eens goed gaan nadenken over de plaats van de Joden in ons geloof. En door de Schrift geleid kwam men steeds meer tot de ontdekking dat de beloften aan de Joden gedaan een eeuwige geldingskracht hebben. Deze gedachte is gelukkig nooit helemaal uit de kerk verdwenen, vooral bij het Calvinisme en de Nadere Reformatie en de Engelse Puriteinen is deze Bijbelse waarheid altijd overeind gebleven. God spreekt toch over een eeuwig verbond met Abraham en zijn nakomelingen. Wat voor waarde zouden Gods beloften hebben als we nu opeens zouden gaan zeggen dat die beloften afgedaan hebben. Is God dan nog wel te vertrouwen? Sterker nog: heel de wereldgeschiedenis is een aanval op het Jodendom. Van Farao tot Haman en Hitler toe. Maar die aanval zal nooit slagen, want Gods beloften spreken van een eeuwig verbond en God houdt Zijn woord. Daarom is voor christenen het voortbestaan van het volk Israel een teken dat God Zijn beloften houdt. “Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk” (Romeinen 11. 29). Daar moet Israël het van hebben, en daar moeten wij het van hebben. F.A.J. Heikoop
Maart 2007 Meditatie “Toen zeide Jezus tot hen: “Mijn ziel is zeer bedroefd tot stervens toe.” (Mattheus 26:38 ) Wanneer we stilstaan bij het lijden van Christus, dan denken we meestal aan Zijn lichamelijke lijden. Aan de martelingen die Hij heeft ondergaan: de slagen voor de hoge raad, de geseling voor Pilatus en de meest intense en langdurige marteldood die bestaat: de kruisiging. Dit lichamelijke lijden trekt meestal de meeste aandacht, omdat dat zichtbaar was. Maar er is ook het niet-zichtbare, geestelijke lijden. Misschien was dat nog wel zwaarder dan het lichamelijke lijden. Over geestelijk lijden heeft de Russische schrijver Dostojewski geschreven. Hij kende het uit eigen ervaring. Door het regime van de tsaren was hij indertijd ter dood veroordeeld. Hij hoorde deze mededeling 's avonds en het vonnis zou worden voltrokken bij het aanbreken van de dag. Hij schrijft dat lichamelijk lijden verschrikkelijk kan zijn, onmenselijk en niet te dragen. Maar op een gegeven ogenblik weigert het lichaam verder om pijn te dragen. Je raakt dan bewusteloos of je komt in een shock. Geestelijk lijden kent deze ultieme rem niet. In de nacht voor zijn terechtstelling zou hij graag bewusteloos zijn geweest, maar het geestelijk lijden bleef doorgaan. In Gethsémane komt de Here Jezus in geestelijk lijden. Niemand raakt Hem met een vinger aan en toch valt het bloed in grote druppels van Zijn aangezicht ter aarde. Want het lichaam reageert op dit lijden. Dat zal iedereen wel eens ondervonden hebben. Bij grote zorgen, spanning of angst krijg je hoofdpijn, versnelde ademhaling, hoge bloeddruk, etc. Jezus laat acht discipelen achter en neemt er drie mee: Petrus, Jacobus en Johannes. Maar ook die laat Hij achter. Hij gaat een steenworp verder. Het was donker in de hof van Gethsémane onder al die vijgenbomen. Ze zagen niets meer, maar zij hoorden Jezus wenen. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt dat Jezus sterk heeft geroepen en tranen geofferd (Hebr. 5:7). Jezus valt op de aarde. In het geloof mogen wij weten dat Jezus dat doet in onze plaats, zodat wij niet meer voor God op de aarde hoeven te vallen maar om Zijnentwil staande blijven. Jezus lijdt alleen en in de dikke duisternis doorlijdt Hij de Godverlatenheid. Dat hadden wij verdiend door onze zondige en duistere praktijken. Jezus draagt het in onze plaats. Jezus werd bedroefd en zeer beangst. Wij zouden bedroefd moeten zijn over wat in de wereld gebeurt. En over wat er gebeurd is in ons eigen leven. Angstig zijn we voor het onbekende. Wat gebeurt er met je lichaam, wat gebeurt er met het sterven, wat gebeurt er in het laatste oordeel. En nu zegt dit Evangelie dat Jezus onze droefheid en angst voor ons gedragen heeft. Daarom wordt er in de Bijbel zo vaak gezegd: "Weest niet bevreesd". En daarom vermaant de apostel Petrus: "Werp al uw bekommernissen op Hem want Hij zorgt voor u". Zo mogen wij onze droefheid en angsten bij de Heiland brengen. Wij mogen geloven dat Hij het voor ons gedragen heeft. Als we dit voor honderd procent zouden kunnen geloven, dan zouden we bevrijd zijn van alle angst en droefheid. Soms zijn er zulke momenten, maar vaak moeten we bidden: "Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp".
Ten slotte Tot slot een gedicht van Willem de Mérode, getiteld “Goede vrijdag”.
Heer, weer dit visioen van Golgotha! ‘k Zie U verslappen onder ’t zonnebranden. De zwarte gaten walmen in uw handen. Men slaat uw sterven fel genietend ga.
Met hoofd en vuisten schuddend, roept men: Ha, Koning! Zoon Gods! Wring U van ’t hout der schande! Men steekt de tong uit, knarst de wrede tanden En bauwt uw bange kreten spottend na.
O God, en alle dagen zie ik weer Dat Gij mij aanstaart en oneindig teer, Mijn zoon! Gij, bij de spotters! Schijnt te fluistren.
Ja Heer! ‘k sta midden in ’t woedende gemeen, Maar laster niet, mijn God, waar zal ik heen? Ik wacht vergeving eer uw ogen duistren.
F.A.J. Heikoop
Februari 2007
Meditatie Tsav latsav
Zo zal voor hen het woord des HEREN zijn: Wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis op eis, hier wat, daar wat. (Jesaja 28:13a NBG)
Daarom horen zij nu van de HEER: “Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav, beetje van dit, beetje van dat.” (Jesaja 28:13a NBV)
Sommige Bijbelteksten uit het Oude Testament kunnen nauwelijks vertaald worden. Het is niet meer bekend wat bepaalde Hebreeuwse woorden betekenen. Ook in Jesaja 28: 13 heeft men met dit probleem te maken. Gebruikt de profeet bestaande woorden die voor moderne lezers onbekend zijn? Of gebruikt hij niet-bestaande woorden en bootst hij bepaalde klanken na?
Als de profeet bestaande woorden gebruikt, kun je deze tekst vertalen als ‘gebod op gebod, regel op regel’ (Staten Vertaling) of ‘wet op wet, eis op eis’ (NBG-vertaling). Als de profeet bewust niet-bestaande woorden gebruikt, maar klanken nabootst, zou deze tekst ook met niet-bestaande woorden of klanken vertaald kunnen worden. Er is dan ook voorgesteld om deze tekst te vertalen met: ‘mompel, mompel, pruttel, pruttel’ of ‘ta-ta-ta-ta’. Of, zoals de NBV (Nieuwe Bijbel Vertaling) doet, om de klanken uit het Hebreeuws onvertaald over te nemen: ‘tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav’.
Het lijkt een grappige tekst. De Here imiteert het volk Israël. Maar deze ‘humor’ heeft een zeer serieuze lading. Het geestelijk leven in Israël is op een dieptepunt. Het volk luistert niet meer naar profeten. Profetieën beschouwen ze als onverstaanbaar gebrabbel. Net zoals het pruttelen van baby’s, of het gelal van een dronkeman. Misschien voerde men de priesters zelfs dronken.
Men neemt de boodschappers van Gods Woord niet serieus. Daarmee nemen ze de boodschap van God niet serieus. Ze nemen God zelf niet serieus. Eerst sprak God in verstaanbare, begrijpelijke taal. Hij had een prachtige boodschap voor hen: ‘Dit is de rust, geeft de vermoeide rust.’ (vers 12). De Here is de goede Herder die voor zijn volk zorgt, die hen leidt en hen rust zal schenken. ‘Maar’, gaat de tekst verder, ‘ze wilden niet horen’.
Het volk neemt Gods Woord niet serieus. De woorden van de profeet, het Woord van God zelf, imiteren ze als gelal of dronkemanspraat. Als zij zo met Gods Woord omgaan, dan zal de Here hen als straf ook inderdaad onverstaanbare taal doen horen. Volken met een onverstaanbare taal en een andere tongval zullen het land binnenvallen. Als een oordeel van God zullen zij het land verwoesten, armoede en verbanning brengen.
Het is het steeds weer hetzelfde patroon: God zoekt in Zijn genade het volk op, om voor hen te zorgen en hen te leiden. Maar het volk neemt God en Zijn Woord niet serieus, waarop oordeel en straf van God volgen. Niet alleen in het Oude Testament, ook in het Nieuwe Testament zie je dat gebeuren. Wanneer Petrus op de eerste pinksterdag het Evangelie verkondigt, nemen sommigen hem niet serieus, maar zien ze zijn prediking spottend aan voor dronkemanspraat: “anderen zeiden spottend: Ze hebben te veel zoete wijn gehad!” (Hand. 2:13)
Ook vandaag gebeurt dat helaas maar al te vaak. Gods Woord wordt vaker bespot of genegeerd, dan serieus genomen. En hoe is dat bij ons? Staan wij open voor de stem van God? Nemen wij de verkondiging van Gods Woord serieus, of laten wij het ook achteloos links liggen? Horen wij Gods Woord, dat Hij als een herder voor ons wil zorgen en ons rust wil geven, of leven wij daaraan voorbij?
Hoe zag Jezus eruit? De bijbel geeft ons geen beschrijving van hoe Jezus eruit heeft gezien. Toch hebben we allemaal wel een bepaald beeld van Hem. Dat beeld zal waarschijnlijk tot stand zijn gekomen door plaatjes uit de kinderbijbel, of misschien ook door een verfilming van Jezus’ leven. Wie de kerk van Nazareth bezoekt komt daar een groot aantal afbeeldingen van Jezus tegen. Die afbeeldingen zijn gemaakt door mensen uit allerlei volkeren. Wie daar rondloopt merkt dat velen de neiging hebben om zich Jezus voor te stellen zoals de meeste mensen in hun leefomgeving al zijn. Zo zijn er afbeeldingen waarin Jezus typisch de trekken van een blanke westerling vertoont maar ook afbeeldingen waarin hij donker gekleurd is, Aziatische ogen heeft of andere trekken heeft, die bij verschillende volkeren voorkomen. De oudste afbeeldingen van Jezus stammen pas uit de derde en vierde eeuw en zijn dus niet van ooggetuigen. Jezus wordt dan meestal op twee manieren afgebeeld: als een jonge, baardloze man of als een oudere man met baard. Op grond van deze oudste afbeeldingen is er dus niets over Jezus te zeggen. Ook de bijbel vertelt niet veel over Jezus’uiterlijk. Toch is er wel iets van te zeggen. Wanneer iemand er afwijkend uitzag, dan werd dat in de tijd van Jezus zonder meer tegen een tegenstander in stelling gebracht. Maar de Farizeeën en schriftgeleerden, die met Jezus heftige debatten voerden, zeggen daarover niets. Daaruit valt op te maken dat Jezus eruit heeft gezien als de meeste mensen in zijn tijd. Dat wil zeggen dat hij een lichtbruine huid had, met waarschijnlijk bruine ogen, hoewel ook blauwe ogen bij Joden in die tijd wel voorkwamen. De gemiddelde lengte van mannen was in die tijd een stuk kleiner dan wat nu in Nederland gemiddeld is. Zoals wel vaker voorkomt in bepaalde culturen, droegen mannen hun haar op dezelfde manier. Joodse mannen hadden in de tijd van Jezus vrijwel zonder uitzondering zwart haar, dat tot op hun schouders hing. In het midden hadden ze een scheiding, en hun haar werd regelmatig met olie gezalfd. Het gebruik van sommige Joden om tijdens het vasten het gezicht niet meer te wassen, het haar niet meer te zalven en as op het hoofd te strooien wordt door Jezus afgewezen (Mat. 6:17, Luc. 7:46). Een baard en snor waren in die tijd bij de Romeinen niet gebruikelijk, maar onder Joden was dat wel de gewoonte. Een Jood zonder baard werd in die tijd fel bekritiseerd. Veel Joden zagen in die tijd een direct verband tussen ziekte en zonde, leraren van het volk waren dan ook altijd gezonde mensen. Dat zal ook bij Jezus het geval zijn geweest. Lucas vertelt dat hij voorspoedig opgroeide en krachtig werd (Luc. 2:40). In Jezus’ tijd was reizen een bepaald inspannende onderneming, maar Johannes vertelt over de verschillende reizen die Jezus maakte. Toen Jezus optrad was hij ongeveer dertig jaar oud (Luc. 2:23). Toch zal Jezus er niet heel jong hebben uitgezien, want een aantal Joden schat zijn leeftijd als nog geen vijftig, dus in de veertig (Joh. 8:57). Joden liepen in die tijd op sandalen, zoals Jezus dat ook wel gedaan zal hebben. Om hun klederen hadden Joden een gordel. Aan die gordel hing vaak een geldbuidel en onder die gordel was een zwaard gestoken. Bij Jezus was dat waarschijnlijk niet het geval, Judas droeg een gemeenschappelijke geldbuidel voor Jezus en zijn discipelen samen. Enkele discipelen droegen een zwaard, maar van Jezus lees je dat nergens. Joden hadden in die tijd gewoonlijk een opperkleed en een onderkleed aan. Dat opperkleed werd door armere Joden ’s nachts als deken gebruikt. Aan het opperkleed droeg Jezus aan de uiteinden gedenkkwasten, snoertjes die herinneren aan de geboden van God. Zieken die de kwastjes aanraakten werden beter (Mat. 9:20, 14:36). Van het onderkleed van Jezus wordt als bijzonderheid vermeld dat het kleed uit één naad was geweven (Joh. 19:23). Dat zal geen toeval zijn, want ook de hogepriester van Israël droeg een onderkleed uit één naad. Jezus Christus is de hogepriester bij uitstek, Die zijn leven geofferd heeft tot verzoening van de zonden van Zijn volk. Juist in Zijn lijden werd dat openbaar, toen de soldaten dobbelden om dat onderkleed. Al met al een wat karige beschrijving, met de nodige aannames. Op het priesterlijk onderkleed na valt er weinig bijzonders te melden. Daarbij mag opgemerkt worden dat dit weinig opmerkelijke ook zo door Jesaja is voorspeld: “hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd”(Jes. 53: 2). Het evangelie laat ook zien hoe onopvallend de verschijning van Jezus geweest is. Toen Jezus gedoopt werd had niemand iets bijzonders in de gaten, God zelf wees Hem aan als Zijn Zoon. Opmerkelijk is ook dat de overpriesters Judas met geld omkochten om Jezus aan te wijzen. Ondanks dat Jezus dagelijks in de tempel geleerd had, was men nog bang de verkeerde te arresteren, zo weinig onderscheidde Jezus zich blijkbaar van Zijn discipelen. Iets van het grote wonder van God Die mens is geworden, is ook dat Hij zo’n gewoon mens is geworden. Geen supermens, geen halfgod, maar geheel als u en ik; alleen zonder de zonde. Verzoeking, kwaadheid, vreugde, eenzaamheid, pijn, verlangen, Jezus heeft het allemaal meegemaakt. Daarom dienen wij een hogepriester, Jezus Christus, die in alle dingen op dezelfde wijze verzocht werd als wij (Hebr. 4: 14-16). Die daarom kan meevoelen met onze zwakheden. Die voor ons alle verzoeking heeft weerstaan, en ons daarom barmhartig en genadig kan zijn.
F.A.J. Heikoop
Januari 2007 Meditatie
“Jezus Christus is het beeld van de onzichtbare
God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen
geschapen, die in de hemel en die op de aarde zijn, de zichtbare en de
onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij
machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Op vakantie was ik eens in een kerk waar op een hoge dakkoepel in het midden van de kerk, een plafondschildering was aangebracht van de opgestane Christus. En in welke hoek van de kerk je ook stond, overal zag je deze afbeelding van Christus. Overal keken die ogen van Christus op je neer. Overal volgde Hij je en was Hij op je gericht. Ik moest hieraan denken bij het lezen van bovenstaand gedeelte uit de Kolossenzenbrief. Dit gedeelte is een hymne, een lied. Het werd gezongen in de samenkomsten van de gemeente. Christus wordt in dit lied bezongen als het centrum van hemel en aarde. Het middelpunt van de wereld, van de hele schepping, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. “Jezus Christus is het beeld van God”, zingt dit lied. Hij is het beeld van de onzichtbare Vader. Als u vraagt: wie is God? En waar kom ik Hem tegen? Dan is het antwoord van dit lied: Christus laat zien wie God is. Christus is God, de Schepper van hemel een aarde. En als je dan verder vraagt: hoe laat Christus de onzichtbare God zien? Dan zingt de hymne: dan moet je kijken naar de kribbe van Bethlehem en naar het kruis van Golgotha. “Het heeft de ganse volheid (God) behaagd in Hem woning te maken.” Dat is het kerstfeest. God daalt af uit de hemel om in Jezus van Nazareth mens te worden. “door het bloed van het kruis heeft Hij alle dingen met Zich verzoend”. Dat is Goede Vrijdag. Christus die de zonde der wereld wegdraagt. Hij, Jezus, laat God zien als een God van liefde. Jezus Christus zit nu, om het zo te zeggen, in de dakkoepel van het heelal. Hij is de Heer van de wereld, die de kwade machten overwonnen heeft. Ook de kwade machten in uw en in mijn leven heeft Hij overwonnen. Alle machten die invloed op ons uitoefenen: hebzucht, egoïsme, jaloezie, haat, de zichtbare en de onzichtbare machten, al die machten heeft Hij overwonnen. Zelfs de laatste macht: de dood. Ook die heeft Hij overwonnen. Hij is er in gegaan en er uit opgestaan. Als eerste van de nieuwe schepping. Nu zit hij triomferend op zijn troon. Hoog boven ons. Met Zijn liefdevolle ogen volgt Hij de zijnen, waar zij ook gaan of staan. Wat er de komende tijd ook allemaal gebeuren gaat, waar je ook gaat of staat, je bent nergens alleen. Zijn ogen zullen ons volgen. Liefdevol, zorgzaam, zegenend. Hoe ons levenspad ook verder gaat, Hij is boven ons. Jezus Christus, de Heer der wereld. Zoals psalm 121 zegt:
De Heer zal u steeds gadeslaan.
Nieuwe moslim spreekt, ex-moslim moet zwijgen Gert-Jan Segers is uitgezonden door de Gereformeerde Zendingsbond naar Egypte. Hij woont in Cairo en werkt aan een christelijk studie- en toerustingscentrum. Regelmatig schrijft hij over de islam, en over de verhouding van moslims en christenen. Egypte kent immers een minderheid van christenen, Kopten genaamd. De Kopten maken ongeveer 10 % uit van de Egyptische bevolking. Dat wil zeggen dat er 6 miljoen christenen zijn onder de totale bevolking van circa 60 miljoen. Alleen al in de hoofdstad Caïro bedraagt het aantal christenen meer dan anderhalf miljoen. Hieronder volgt een artikel dat hij schreef naar aanleiding van overgangen van moslims naar het christelijk geloof en van christenen naar de islam.
“Een tijdje geleden kreeg ik een mailtje van een
EO-redacteur. Hij was in de voorbereiding van een programma over autochtone
Nederlanders die moslim waren geworden. Deze portretten zouden de kijkers te
denken moeten geven. De vraag aan mij was of ik feedback en namen zou kunnen
leveren. Om eerlijk te zijn, bezorgde de vraag me jeuk. In mijn streek is er een
groeiend aantal moslims dat christen wordt, maar ze moeten er vooral over
zwijgen. Allereerst in hun bloedeigen familie, omdat die gewelddadig zou kunnen
reageren. Laat staan dat ze in de media hun verhaal zouden mogen doen. Zelfs de
kerk is hier soms halfhartig in de opvang van deze nieuwe broeders en zusters,
uit angst dat ze de veiligheidsdiensten op hun dak krijgen.
F.A.J. Heikoop
December 2006
Meditatie
Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, de onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden krijgen.” (Galaten 4: 4-5)
In de dagen van advent denken we na over de komst van Gods Zoon naar deze wereld. De bovenstaande tekst van Paulus kan ons helpen om zicht te krijgen op wat die komst voor ons betekent.
Paulus schrijft in de brief aan de Galaten over de vraag hoe wij zonen en dochters van God kunnen worden. Hoe wij door God geliefd worden en van Hem het eeuwige leven ontvangen. Dat vindt Paulus niet iets vanzelfsprekends. Integendeel, wij zijn geen gehoorzame kinderen van de hemelse Vader. Hij vraagt van ons dat wij Hem zouden liefhebben boven alles en onze medemens als onszelf. Paulus vindt dat ons leven daar helemaal niet aan beantwoordt. Als het aan ons ligt, leven we vaak zonder God. Wij denken vaak pas aan God als wij Hem nodig hebben. En wat wij van onze medemens denken, spreken en doen, kun je vaak geen liefde noemen.
Kunnen we dan niet kinderen van God worden door te leven zoals Hij dat wil? Door te leven naar de tien geboden? Iedereen die dat probeert, merkt dat dat niet lukt. Zelfs als je dat heel graag wilt en je echt probeert om de tien geboden te volgen, merk je toch dat je dat niet kunt.
Maar wat voor ons een onmogelijkheid is, daar heeft God Zelf een oplossing voor gegeven. Toen de ‘volheid des tijds’ gekomen was, heeft God Zijn Zoon naar Bethlehem gezonden. Net als wij is Hij geboren uit een vrouw en als kind ter wereld gekomen. Net als wij is Hij geboren onder de wet: is het de bedoeling van Zijn leven om te leven naar de wet van God. Maar hij heeft dat ook echt gedaan. Hij heeft de wet van God vervuld. Hij heeft God liefgehad boven alles en niets dan goeds voor zijn medemens gedaan.
Het wonder van het geloof is dat Jezus in het geloof met ons wil ruilen. Als ik in Jezus geloof dan schenkt Hij mij Zijn volmaakte leven, en dan mag ik mijn zondig en schuldig leven naar Hem toeschuiven. Door die wonderlijke ruil sta ik dan niet meer ‘onder de wet’, oftewel: schuldig tegenover God. Nu is het Jezus die voor mij onder de wet gaat staan. Hij neemt mijn schuld en zonde op Zich. Op Golgotha draagt Hij de straf die eigenlijk mij zou toekomen. Of, zoals Jesaja het zegt, “Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn armen is ons genezing geworden” (Jesaja 53:5). Zo koopt Jezus hen die in Hem geloven vrij.
Door die koop, die ruil, kunnen wij nu als zonen en dochters van God worden aangenomen. Door het geloof in Jezus worden wij kinderen van God. Wij mogen Hem ‘Vader’ noemen en kunnen weer door Hem geliefd worden. Wij ontvangen het recht van zonen en dochters en de erfenis die daarbij hoort: het eeuwige leven. In deze adventstijd mogen we stil staan bij die wonderlijke ruil. Dat Jezus naar Bethlehem kwam om voor ons naar Golgotha te gaan. Voor wie dat gaat zien wordt het een onvergetelijk kerstfeest.
De oorsprong van het Kerstfeest Het belangrijkste feest van de kerk is het paasfeest, het feest rond de opstanding van Jezus Christus. Hij stond op uit de dood op de eerste dag van de week, vandaar dat christenen al snel op deze dag bij elkaar kwamen. Iedere samenkomst op de zondag is dus een herinnering aan het paasfeest. Het kerstfeest is pas later ontstaan. Op 21 december is de dag het kortst en de nacht het langst. Vanaf deze dag, de winterzonnewende, worden de dagen weer langer. Vandaar dat er rond 21 december door verschillende volkeren feesten werden gevierd. De Germanen vierden het joelfeest, een feest ter ere van de zonnegod Frey. Men ontstak dan een Joelvuur en offerde een everzwijn. Ook stak men een boom in brand, die heel lang bleef branden. Misschien komt daar onze kerstboom vandaan. De sparrenboom is immers een boom die altijd groen blijft. Daarom was de sparrenboom vanouds een symbool van groeikracht en vruchtbaarheid. Ook rond de Middellandse Zee kende men feesten ter gelegenheid van de winterzonnewende. Dat feest werd volgens de Romeinen gehouden ter ere van de Sol Invictus, de onoverwinnelijke zonnegod. In Egypte werd het feest gevierd ter ere van de zonnegod Ra, in Griekenland ter ere van zonnegod Helios.
Constantijn Toen de Romeinse keizer Constantijn in de vierde eeuw overging tot het christendom, bepaalde hij dat er voortaan op 25 december een feest gevierd zou worden ter ere van de geboorte van het “Licht van de wereld” Jezus Christus. Op welke dag van het jaar Jezus geboren is, was in die tijd niet meer bekend. Dat er bij Bethlehem herders waren, die ’s nachts samen met hun kudden buiten overnachtten, doet denken aan het zomerseizoen. Dat men op 25 december nog in het open veld overnacht is niet onmogelijk, maar zeker niet waarschijnlijk. Kerstfeest komt dus van het woord ‘Christus-feest’. Omdat het kerstfeest kon voortbouwen op oude heidense feesten is het in de Westerse wereld uitgegroeid tot het belangrijkste feest van het jaar.
Grot of stal? De kerststal is een gebruik dat teruggaat op de dertiende eeuw. Franciscus van Assisi bouwde in 1223 de eerste levende kerststal. Kerststallen zijn vooral in de rooms-katholieke kerk populair geworden. Interessant is dat vóórdat Franciscus een kerststal bouwde, men de geboorteplaats van Christus meest afbeeldde als een grot. Dit gegeven gaat terug op Justinus de Martelaar (± 150 na Christus), die schreef: "Omdat er voor Jozef niets te vinden was om de nacht door te brengen, ging hij maar zolang een grot binnen dichtbij Bethlehem". Inderdaad werden er in het Midden-Oosten in grotten vaak hele kudden gehouden en huizen gebouwd. Daarom hoeven een grot of een stal elkaar niet tegen te spreken.
Kerstboom Omdat protestanten altijd wat afkeer hebben van afbeeldingen in een kerk, zoals in een kerststal, werd vooral in protestantse landen de kerstboom populair. Luther (begin 16e eeuw) verklaarde de kerstboom tot symbool van de geboorte van Jezus. Aanvankelijk stond de boom alleen in de kerken. Eind negentiende eeuw haalde men hem, allereerst in protestantse landen, de huiskamer binnen. De kerstboom herinnert de christen, volgens Luther, aan de boom in het paradijs; de kerstboomballen aan de vruchten waarvan Adam en Eva aten. De piek in de boom staat voor de ster die de Wijzen de weg wees naar de geboorteplaats van Jezus; soms wordt de piek daarom door een ster vervangen. Calvijn Overigens was Calvijn een minder grote fan van het kerstfeest. Hij zag vooral de heidense achtergrond ervan. In zijn lijn is het kerstfeest nogal eens bestreden. Vandaar dat in een land met een grote calvinistische invloed als de Verenigde Staten 25 december tot op het einde van de negentiende eeuw gewoon een werkdag was. Calvijn zelf koos ervoor om in zijn preken hoofdstuk voor hoofdstuk de bijbel door te lezen. Hij liet zich door het kerstfeest daarvan niet weerhouden. Vandaar dat hij op eerste kerstdag wel eens over de huwelijkswetten uit Deuteronomium heeft gepreekt.
F.A.J. Heikoop
November 2006 Meditatie “Gij zijt het zout der aarde” (Mattheus 5.13a).
Dit zijn woorden uit de bergrede van Jezus. Tegen wie zegt de Here Jezus deze woorden? Tegen Zijn discipelen. Jezus spreekt natuurlijk ook tegen de grote schare die daar ook aanwezig was. Maar toch, net als de zaligsprekingen, in de eerste plaats tegen zijn volgelingen. Dat zijn de mensen die Zijn woord horen en dat bewaren. Opvallend is de manier waarop Jezus dit zegt. Niet: ‘probeer het zout der aarde te worden. Doe je best ervoor en maak er wat van. Groei er naar toe en span je in’. Dat zou een nieuwe wet zijn, en veel menselijke inspanning vragen. Maar Jezus zegt het als een constatering: ‘Als jullie Mijn woorden horen en bewaren, dan zijn jullie zout’. Waarvoor gebruikte een Israëliet zout? In de eerste plaats om smaak te geven aan zijn voedsel. Wie wel eens een zoutloze boterham heeft gegeten, die weet waar we het over hebben. In de tweede plaats om bederf af te weren. Men had toentertijd geen koelkasten. Wat men in het zout bewaarde bedierf niet. Eeuwenlang zijn er daarom zoute boontjes gegeten, en rauwe gezouten haring is nog steeds populair. Door het zout blijven die dingen lang goed. Zout is smaakmakend en bederfwerend. Die twee dingen spelen mee in de woorden van de Heiland als we Zijn woorden horen en bewaren. Woorden van zonde en genade, de toorn en de liefde van God, dood en eeuwig leven, hel en hemel. Dat geeft smaak aan deze wereld, zodat het geen zouteloze boel meer is. Deze woorden kunnen de wereld redden van het bederf. Als we bedenken dat de Heiland Zelf het Woord van de Vader is, dat vlees geworden is, dan weten we dat Hijzelf allereerst het Zout der wereld is. Hijzelf maakt dat deze wereld niet smakeloos en verwerpelijk is. Hijzelf maakt dat deze wereld verlost kan worden van het bederf. En als we bij Hem horen, Zijn woorden horen en bewaren, dan zijn we de smaakmakers van deze wereld en is ons leven verlost van het verderf. Christenen zijn een kleine bescheiden minderheid in ons land. Maar in het brood of over de aardappelen heb je maar weinig zout nodig. Slechts tien rechtvaardigen hadden Sodom kunnen behouden. Er wordt niet gezegd: ‘Gij zijt de stroop der aarde’. We dienen niet met de stroopkwast te werken. We hoeven niet lievig te zijn en alles te vergoeilijken of overal begrip voor op te brengen. Zout kan soms knap prikkelend zijn. Zoals Jezus ook ergernis opriep, toen hij van Zichzelf zei dat Hij alleen het Licht, de Waarheid en het Leven is. Zo zal ook gezegd moeten worden dat er buiten Christus geen eeuwig leven is maar de verlorenheid. Zo zullen we moeten vechten tegen wat er van nature in een mens leeft, egoïsme en neiging tot kwaad. Zo zal de trots en hoogmoed van ieder mens moeten worden afgebroken om dan als verloren zondaar iedere keer genade te zoeken. Op die manier mogen christenen, zo mogen u en ik, prikkelend maar ook behoudend in deze wereld aanwezig zijn. Dat gebeurt, als we Zijn woorden maar blijven horen en bewaren. Ten slotte een gedicht van een mij onbekende dichter, getiteld “Mijn kinderen”:
Ik kan mijn kinderen het geloof niet geven: Genade is niet bij de erfenis. ’t Gebed voor hen is mij nog slechts gebleven, Dat ‘k in Uw rijk straks geen der kinderen mis.
Ik kan mijn kinderen het geloof niet geven: Dus pleit ik daag’lijks, Heer, op Uw verbond. U was er bij de aanvang van hun leven; En toen U vol genade bij hun doopvont stond,
Hebt U beloofd: Ik wil altijd je Vader zijn. Ik weet niet of ze nog Uw kind’ren willen wezen. Dat is, o grote God, mijn twijfel en mijn pijn: Ze leven dikwijls bij U weg – naar ik moet vrezen.
Vader, ik wil voor al mijn kind’ren vragen En buig mijn knieën voor U elke dag: Wilt U ze in Uw groot erbarmen dragen. Bewaar ze dicht bij U tot aan hun laatste dag.
F.A.J. Heikoop
Oktober 2006 Meditatie ".... en hun zijn bezit toevertrouwde"(Matth 25.14).
De Here Jezus vertelt hier een verhaal, waarin een vergelijking wordt gemaakt. Het verhaal wil duidelijk maken hoe het er aan toe gaat in het koninkrijk van God, in de kerk en in het leven van een gelovige. Dit verhaal wordt de gelijkenis van de talenten genoemd. Het gaat over een rijk man die ver weg reist. Voor zijn vertrek geeft hij zijn dienaren allemaal een grote som geld, een of meerdere talenten. Dat is een Oosterse geldmaat van buitengewoon grote waarde, één talent was al honderdduizenden euro's waard. Ieder krijgt wat, de een meer dan de ander, maar niemand wordt overgeslagen. Er wordt nu verwacht dat men met het geld aan de slag zal gaan. Twee van de drie hier genoemde mannen zijn aan het werk gegaan en hebben winst gemaakt. De een wel meer dan de ander, maar dat is het punt niet. Er is namelijk één dienaar die niets met zijn geld gedaan heeft. Die begroef het in de grond en ging er bovenop zitten. En als de heer, en achter hem zien wij staan de Here God zelf, terugkomt, vraagt hij aan zijn dienaren rekenschap. De derde dienaar hangt een heel verhaal op. Het zou wel eens kunnen zijn dat hij zelf twijfelt aan zijn handelwijze en met veel woorden de heer, en vooral zichzelf, tracht te overtuigen. Verder is zijn antwoord toch eigenlijk wel hard en brutaal. En zoals zo vaak is dat een teken van onzekerheid. Opmerkelijk is ook dat juist degene die met Gods gaven niet zoveel wil doen, juist die gaat God als een hard iemand zien. Wie niet leeft in dankbare verwondering gaat vaak God de schuld geven van alles en nog wat. Wat bedoelt de Here Jezus met dit verhaal? Hij geeft ermee te kennen dat ieder mens talenten heeft ontvangen. Dan zou je kunnen denken aan: het leven, het lichaam, de gezondheid, geduld, liefde voor anderen, goed verstand en ga zo maar door. De een krijgt wel meer dan de ander, maar niemand kan zeggen dat hij helemaal niets heeft ontvangen. Er moet ook gedacht worden aan een andere reeks talenten die God geeft, zoals Zijn Woord, Zijn Zoon, Zijn Geest, het gebed, de vergeving, de prediking, de doop, het avondmaal, de gemeenschap der heiligen enz. De een ontvangt meer dan de ander, maar dat is niet van belang. Van belang is alleen maar wat je met die talenten gedaan hebt. Wat hebt u gedaan met uw doop, met de prediking van het Woord, met de Here Jezus Christus Die u aangeboden wordt. Lijkt u op die derde man die wel wat gekregen heeft maar er niets mee deed? En u weet, de derde man wordt door God veroordeeld. Alsof God zeggen wil: al Mijn gaven waren aan hem of haar niet besteed. En de mensen die wel aan het werk gingen? Er wordt verteld dat zij hun bezit vermeerderden, het maakte hen rijker. Zo gaat het in het koninkrijk van God. Wie met Gods gaven aan de slag gaat maakt winst, krijgt meer diepgang, leert om meer te geloven, te hopen en lief te hebben. Er valt zo veel te krijgen in het koninkrijk van God. Ten slotte, als eenmaal God komt en afrekening met ons houdt, zijn er twee mogelijkheden. De gelijkenis vertelt in vers 30 dat er gezegd wordt: "werpt de onnutte dienstknecht uit" of dat er gezegd wordt:in vers 21 en 23: "gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in in de vreugde van uw Heer". En wie kiest, o verdwaasde, voor het leven de dood?
Het Chinees en de bijbel Af en toe loop je wel eens tegen heel opmerkelijke dingen aan. Dat gebeurde me enige tijd geleden naar aanleiding van de bijbelkring, waarop het bijbelboek Genesis wordt behandeld. Kort geleden hebben we met elkaar het verhaal van de zondvloed gelezen. Een boeiend verhaal, dat ook buiten de bijbel terug te vinden is. Bekend zijn de Babylonische vertellingen over de zondvloed, waarin grote overeenkomsten, maar ook verschillen met het bijbelse zondvloedverhaal te vinden zijn. Veel volkeren op deze wereld vertellen verhalen over een grote vloed. In totaal zijn er ruim 250 verschillende versies van gevonden. De meest merkwaardige manier waarop men dit verhaal meent te kunnen terug vinden is wel in de Chinese taal, die nu door meer dan 1.200 miljoen mensen gesproken wordt. Het Chinees is een heel oude taal. Waarschijnlijk werd het meer dan 4.000 jaar geleden al gebruikt. De oudste geschreven bronnen zijn meer dan 2.500 jaar oud. Eigenlijk is de Chinese taal een grote verzameling van talen en dialecten. De meest gebruikte variant van de Chinese taal is het Mandarijn, dat door de meeste Chinees-taligen begrepen wordt. Het Chinees heeft iets gemeen met de Egyptische hiëroglyphen, omdat de tekens van het Chinese schrift niet zozeer klanken voorstellen, zoals bij ons. Van oorsprong zijn de Chinese letters tekeningen van wat er wordt bedoeld. Zo is bijvoorbeeld ᆺ het Chinese teken voor mens. Duidelijk zijn daarin de benen van een mens te herkennen. Het symbool voor ‘mond’, of ook ‘mens’, is 口. Met enige moeite is daar nog wel een open gat met een paar mondhoeken in te herkennen. Het Chinees bestaat uit zo’n 600 van deze basissymbolen.
Karakters De overige woorden worden gevormd door deze basissymbolen te combineren tot ingewikkelder figuren, ook wel karakters genoemd. Een Chinees leert op school zo rond de 4.000 verschillende karakters. Heel geletterde Chinezen kennen er wel 10.000, in totaal bestaan er méér dan 56.000 van deze samengestelde woorden. Om een voorbeeld te noemen: neem het woord 船, dat woord betekent ‘grote boot’. Dit woord is samengesteld uit drie verschillende basissymbolen: het meest linkse onderdeel betekent ‘boot’, het symbool rechtsboven, 八, dat is het woord voor ‘acht’, en het symbool rechtsonder, 口, betekent ‘mond’ of ‘mens’. Het boeiende van deze meer uitgebreide symbolen is dat ze iets vertellen over hoe de samenstellers van deze woorden gedacht hebben. Bij die ‘grote boot’ is er dus gedacht aan een ‘boot’, met ‘acht’ ‘monden’, oftewel ‘mensen’ erop. Zou het mogelijk zijn dat er hier gedacht is aan de ark, waarop Noach, zijn vrouw, hun drie zonen, en de vrouwen daarvan, in totaal 8 mensen dus, gezeten hebben? Een ander voorbeeld: het woord voor ‘totaal’ is samengesteld uit ‘acht’, ‘samen’, en ‘aarde’. Een herinnering aan de tijd na de zondvloed, toen de totale bevolking op aarde uit slechts 8 mensen bestond?
Toeval? Eén enkel woord bewijst nog niets, en kan best een toevallige overeenkomst zijn. Maar er zijn veel meer van deze woorden te noemen. En die woorden worden dan met name in verband gebracht met de eerste hoofdstukken van de bijbel, Genesis 1 – 11. In die geschiedenissen wordt verteld over de schepping, de zondeval, de zondvloed en de torenbouw van Babel. Een aantal mensen ziet gedachten uit die verhalen terugkomen in de samenstelling van een aantal Chinese woorden. Neem het volgende symbool, 果, dat ‘vrucht’ betekent. Het is samengesteld uit 木, ‘boom’, en 日, dat ‘tuin’ of ‘hof’ betekent. De vrucht aan de boom in een hof. Het woord 女 betekent vrouw, en 木木 is het woord voor bomen. Deze woorden samengevoegd leveren het woord ‘begeerte’, ‘verlangen’ op. Dat zou verwijzen naar Eva, die de keuze had tussen de boom van het leven en de boom van kennis van goed en kwaad, en door begeerte de verkeerde keus maakte. Het woord 裸, oftewel ‘naakt’, is samengesteld uit ‘boom’, ‘tuin’, en ‘kleding’. Wat heeft naaktheid met een tuin of een boom te maken? Of speelt hier een herinnering mee aan de kleding die God voor de mens maakt nadat er van de vrucht van de boom in de tuin van Eden gegeten was? Zo kun je nog wel even doorgaan. Het woord ‘verbod’ bestaat uit de woorden ‘bomen’ en ‘bevel’. Het bevel van God om van één boom niet te eten? Het woord voor ‘westen’ wordt ontleed in ‘eerste’, ‘man’, en ‘omheining’, een verwijzing naar Adam in de hof van Eden, die voor Chinezen in het westen ligt. Het woord ‘blijdschap’ bestaat uit ‘God’, ‘mens’ en ‘tuin’. De paradijselijke vrede die er is geweest? Het woord ‘duivel’: ‘persoon’, ‘geheim’ en ‘tuin’, weer een herinnering aan die hof van Eden? Er zijn boeken vol geschreven over al die overeenkomsten die men meent te bespeuren. Eén van de meest bijzondere vond ik nog wel het Chinese woord voor ‘rechtvaardig’, dat wordt herleid tot ‘schaap’ en ‘mij’. Daarin wordt een verwijzing gezien naar de Joodse offerdienst, waarin een lam sterft tot verzoening van onze zonde. Wat hiervan te denken? Er zijn wetenschappers die hier serieus mee bezig zijn, en er zijn er die het als inlegkunde afwijzen. Als je 56.000 verschillende woorden gaat onderzoeken kom je altijd wel wat merkwaardige dingen tegen, zeggen die laatsten. Maar toch, als je een boek vol ziet met dergelijke ontledingen? Mijn kennis van het Chinees is niet van dien aard, dat ik over deze kwestie een oordeel kan geven. Hoe hebben de Chinezen gedacht, toen hun taal 2.500 jaar geleden schriftelijk werd vastgelegd? Dat is nu moeilijk te achterhalen. Shangdi China is al eeuwenlang een overwegend boeddhistisch land. Maar de Chinese taal is ontstaan nog voordat het boeddhisme in China kwam. In de tijd dat het Chinees werd vastgelegd waren er verschillende godsdienstige stromingen in China. De grootste groep, de Han Chinezen, vereerden een god die zij Shangdi noemden. Shangdi betekent letterlijk ‘soeverein’, of ‘hoogste heer’. Er wordt een god mee aangeduid, die ver boven alle aardse en hemelse machten verheven is. Shangdi is de scheppergod, die orde bracht in de chaos, waaruit de wereld oorspronkelijk bestond. Shangdi schept de hemel en de aarde door hen te bevelen er te zijn, hij roept ze tot aanzijn. Hij heeft de mens gemaakt en daarom houdt hij ook van mensen. Shangdi heeft de zon, de maan en de sterren geschapen, om de mensen op aarde de weg te wijzen. Heel de schepping is een teken van de goedheid van Shangdi. Heel opmerkelijk is ook dat Shangdi nooit in een beeld of tekening mocht worden afgebeeld. In een aan Shangdi gewijde tempel stond in het midden een troon, maar daarop werd geen beeld gezet, alleen een tablet met de naam Shangdi werd op die troon gelegd. Ieder jaar moest er een stier aan hem geofferd worden. Die stier moest volkomen gezond zijn. Als je dat zo leest, dat klinkt niet onbekend in de oren. Typerend is het volgende gebed, dat de Chinese keizers vroeger tot eer van Shangdi in de tempel uitspraken: “In het begin was er verwarring en chaos. De vijf elementen waren nog niet gevormd, en de zon en de maan schenen nog niet. Temidden van dat alles waren er nog geen vormen of geluiden. Toen kwam de Geestelijke Soeverein, en hij scheidde de zuivere van de onzuivere delen. Hij schiep de hemelen, hij schiep de aarde, hij schiep de mens. Alle wezens die zich kunnen voortplanten ontstonden toen. Het begin van alle dingen was het resultaat van zijn vriendelijk handelen. Alle dingen ontvingen zijn grote liefde. Alles op aarde verbleekt bij zijn grote volmaaktheid. Wie weet van al de zegeningen die hij ons gestuurd heeft? Alleen Shangdi is de ware oorsprong van alle dingen.” Als je dit leest, dan doet dat denken aan de God Die in de bijbel verkondigd wordt. Hebben de eerste Chinezen die God gekend, en nog eeuwenlang vereerd? Zouden zij na de verspreiding van alle volkeren over de wereld iets bewaard hebben van de God, Die door Noach gediend werd? Zou er, net zoals de kennis van de zondvloed bij heel wat volkeren bewaard gebleven is, in China kennis bestaan hebben van de God van Israël? Er is over de god Shangdi te weinig bekend om dat met zekerheid te zeggen, maar er zijn toch wel een paar treffende overeenkomsten aan te wijzen. Vandaar dat door sommigen de gedachte verdedigd wordt dat Shangdi dezelfde is als Sjaddai, één van de namen van de God van Israël. Die gedachten is vooral in Chinese protestantse kringen wijd verbreid. In de negentiende eeuw gingen er vanuit Engeland veel protestantse zendelingen naar China. Zij wilden de God van de bijbel daar verkondigen. Maar hoe moest die God worden aangeduid? Het Chinees kent heel veel verschillende woorden voor ‘god’. Een deel van die eerste zendelingen heeft toen gekozen voor de naam Shangdi. Men vond wat er over Shangdi verteld werd het meest aansluiten bij wat de bijbel over God vertelt. Sommigen waren ervan overtuigd, dat het om dezelfde God gaat. Vandaag de dag wordt de naam Shangdi door Chinese protestanten nog steeds gebruikt om er de God en Vader van Jezus Christus mee aan te duiden. Het is vooral in deze kring, dat er op de bijzondere betekenis van een aantal Chinese woorden wordt gewezen, waarin men bijbelse gegevens herkent. De verkondiging van Gods naam in China is de afgelopen jaren gezegend geweest. Niemand weet hoeveel Chinezen er tot het christelijk geloof zijn over gegaan, maar vaak wordt er gedacht aan tientallen miljoenen of nog meer. En wie weet, misschien heeft de God van Israël, nu mede onder de naam van Shangdi vereerd, al eerder Zijn sporen in China nagelaten.
Ten slotte Tot slot een gedicht van Willem de Mérode, getiteld Psalm CXXI:
Wanneer de mensen mij benauwen, En listig mij tot vallen tergen, Hef ik mijn ogen naar de bergen, Die aan de verre hemel blauwen.
Hun hoogten heeft de Heer verkoren, Die heemlen spande en de aarde grondde; Uit ’t hoog paleis van de verbonden Wil Hij zijn bondelingen horen.
Op ’t glibbrig pad zult gij niet wanken. Hij sluimert niet, Hij slaat u gade. Hij hoort uw roepen om genade, En uw gebed wordt tot een danken.
Hij slaapt noch sluimert, die de wake Aanvaard heeft over uwe daden. De middagzon zal u niet schaden, De maan niet kwellend u genaken.
Hij zal beschutten en verkoelen. Hij is een schaduw voor uw voeten. Welk stekend licht u moge ontmoeten, Gij zult zijn donker om u voelen.
Uit alle nood van dood en leven Redt God uw ziel; Hij dwingt de bange Hulproep tot snikken van verlangen Naar ’t eeuwig heil, en zàl dat geven.
F.A.J. Heikoop
September 2006
Meditatie "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons geopenbaard" (Joh. 1. 18)
Vandaag de dag wordt er veel over God gesproken. De een noemt Hem ‘iets’, want er zal wel ‘iets’ zijn, de ander spreekt over een ‘oergrond’. Wijdverbreid is de mening dat Hij naar de hemel laat gaan wie z’n best doet op aarde en naar de hel stuurt wie kwaad gedaan heeft. Velen weten hoe God moet handelen. Hij moet terstond ingrijpen in de aidsepidemie, in het Midden-Oosten, of in andere brandhaarden van deze wereld. Want Hij is toch liefde. En Hij is toch rechtvaardig, en dus behoort Hij alle boosdoeners te straffen. Maar dat doet God allemaal niet. Hier wordt geraakt aan vragen waar iedere gelovige mee te maken heeft. Daarbij kun je je wel afvragen: over welke God hebben we het eigenlijk? Over de God die we zelf bedacht hebben, over de God van de Mohammedanen of die van andere volkeren. Een heleboel mensen menen iets over God te kunnen zeggen zonder serieus in de Bijbel gekeken te hebben. Niemand heeft ooit God gezien. Dat betekent niet alleen letterlijk een blik op God werpen, de Bijbel zegt zelfs dat als je God letterlijk zou zien dan zou je terstond sterven. Net zo min als we in de zon kunnen kijken. Om God letterlijk te kunnen zien heb je een ander lichaam nodig en daarom legt een gelovige bij het sterven dit lichaam af. Niemand heeft ooit God gezien. Dat geldt ook in figuurlijke zin. De Bijbel wil daarmee zeggen dat niemand weet wie God is. Daarom zegt het tweede gebod dat we ook al helemaal geen beeld van God kunnen maken. Tot stomme verbazing van de heidenen was in de tempel van Jeruzalem geen beeld van God te vinden. "Bij wie dan zult gij God vergelijken of welke gelijkenis zult gij op Hem toepassen?" (Jes. 40.18). Niemand heeft ooit God gezien. Gelukkig gaat de tekst verder. De eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is Die heeft Hem ons geopenbaard. Iets anders gezegd: "De Zoon Die als geen ander zo dicht bij God was Die heeft door Zijn leven en Zijn woorden iets over God willen onthullen". Hier wordt kort en goed gezegd dat je niets over God kunt zeggen zonder Jezus Christus. Als wij als Christenen soms denken: als er een God bestaat hoe kunnen dan al die vreselijke dingen op aarde gebeuren, dan moeten wij bedenken dat de God waarover wij spreken de Vader van onze Here Jezus Christus is. Dan moeten wij denken aan teksten die God en Christus heel dicht bij elkaar brengen. Dan denken wij aan een tekst als: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft". Of aan een tekst als: "Wie Mij (Jezus) gezien heeft die heeft de Vader gezien". Willen we weten hoe God is dan kijken we naar de Here Jezus Christus. Waar was de Here Jezus op aarde het meest te vinden? Bij mensen die ziek waren of bedroefd of eenzaam. We kijken naar een Here Jezus Die huilt als Hij het verdriet van Maria en Martha ziet om hun overleden broeder. Die huilt als Hij de ondergang van Jeruzalem ziet omdat men Hem afwijst. Die zegt: "Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want voor zulken is het koninkrijk van God". En Paulus zegt op een andere plek: "De Vader heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven. Hoe zal Hij ons ook niet met Hem alle dingen schenken". Hiermee zijn bepaald niet alle wereldvragen opgelost. Christenen moeten het kruis dragen van het vele onbegrepene in deze wereld. Maar we hebben wel een andere invalshoek gekregen: het kruis van Golgotha vertelt ons dat God liefde is. Om ons te redden gaf Hij Zijn Zoon. Dat God rechtvaardig is, want geen enkele zonde zal in deze wereld ongestraft blijven. En Jezus Christus wilde lijden voor al onze zonden. Zo is God.
Hartelijke moslims, duistere islam Het beeld dat veel Nederlanders van moslims hebben blijkt uit onderzoek nogal negatief te zijn. Eindeloos wordt er gediscussieerd over de relatie van de islam met geweld. Turken, Marokkanen, het roept bij velen gedachten op aan criminaliteit, vrouwonvriendelijkheid, maatschappelijke achterstand, en dat soort zaken. Maar wie wel eens op vakantie is geweest in een land met een overwegend moslimbevolking, die krijgt vaak een heel ander beeld van moslims. In veel moslimlanden staat de gastvrijheid hoog aangeschreven en lopen er heel wat aardige mohammedanen rond. Dat was ook de ontdekking van Gert-Jan Segers, die namens de Gereformeerde Zendingbond werkzaam is in Egypte. In navolgend stukje vertelt hij over zijn tegenstrijdige gevoelens ten aanzien van moslims en de islam:
“Het was in oktober 2000
dat Rianne en ik, samen met onze dochters in Egypte arriveerden. Jong, bleu,
onzeker. Met een degelijke islamcursus aan het Engelse All Nations College waren
we enigszins voorbereid op de wereld van islam, maar met moslims zelf had in
ieder geval ik nog weinig ervaring. We kwamen ze tegen als we in Leiden bij de
Digros ons winkelwagentje vol laadden en we passeerden ze op het fietspad als we
daarna zo snel mogelijk naar huis wilden. Maar dat was het wel zo'n beetje.
Nederlandse moslims zijn altijd vreemdelingen voor mij gebleven.
ds. F.A.J. Heikoop
Meditatie Juni 2006
“En Jezus zei tot hen: Waarom zijt gij zo bevreesd?
’s Nachts stormde het nooit op het meer. Storm ontstaat door temperatuurverschillen tussen land en water. Het meer van Galilea lag 200 meter onder zeespiegel tussen de bergen. Overdag was de lucht zeer warm, maar het water bleef veel koeler. Daardoor konden overdag, zo na een uur of twaalf, plotseling zeer heftige stormen ontstaan. Maar ’s nachts, als de lucht afkoelde, werd het stil. Daarom viste men ook ’s nachts. Waarom dan hier ’s nachts die storm? Omdat de discipelen Jezus navolgen. En wat gebeurt er als je Jezus navolgt ? Volgens sommige christenen ga je dan een glorieuze tijd tegemoet. Van wonder naar overwinning. Van triomf tot wonderbare genezing. Maar het ziet er hier anders uit. De satan probeert hen aan te vallen, hun vertrouwen in Jezus te schande te maken en hen het geloof te ontnemen. Hier valt de satan aan door middel van een demonische storm. Daarom gaat Jezus met de storm spreken en bestraft Hij hem. Hij gebruikt dezelfde woorden als wanneer Hij een onreine geest gebiedt uit te gaan (1:21). Paulus zegt: “Wij hebben niet te worstelen tegen vlees en bloed, maar tegen onzichtbare machten om ons heen” (Efeze 6:12). De discipelen voelen zich misschien wel in de boot genomen. Bij Jezus horen betekent strijd met ups en downs. Met twijfel en soms met een vleug van wanhoop. En als dan de zware tijden komen, kunnen christenen soms denken dat ze van God verlaten zijn. Anders zouden ze er toch wel uitgeholpen worden? Maar het is juist precies omgekeerd. Juist wanneer je bij de Here Jezus hoort, valt de satan je aan en brengt storm in je leven.
Misschien is het pas echt gevaarlijk als je geen
storm kent. Geen tegenwerking, geen zwaar weer. Wanneer dat het geval is, vindt
de satan het misschien niet de moeite om zwaar weer te brengen, omdat er toch al
nauwelijks een band is met Jezus Christus. In dat geval is hij klaar en laat hij
je met rust.
Dan ontdekken de discipelen, wat zovele gelovigen na
hen ontdekt hebben: Jezus zal hen nooit verlaten. Hij zal hen veilig thuis
brengen. Het heeft de kerk geïnsprireerd tot het prachtige gedicht: Ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen zij nacht, God, mijn God zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht. Moet ik lang Zijn hulp verbeiden, Zijne liefde blijft mij leiden: door een nacht, hoe zwart, hoe dicht, voert Hij mij naar het eeuwig licht.
En welk lot, ’t zij dood of leven, smaad of eerbetoon, mij wacht, Jezus zal mij nooit begeven: ben ik zwak, bij Hem is kracht. Gunst van mensen, raad van vrinden, bittere haat van kwaadgezinden, hoogte, diepte, vreugd of rouw, niets ontrooft mij aan Gods trouw.
Het Judasevangelie: sensatie of storm in een glas water? In de week voor Pasen werd een vertaling van het evangelie van Judas aan de pers gepresenteerd. Een jaar geleden, ook weer in de week voor Pasen, werd bekend gemaakt dat dit evangelie gevonden was. Het is geen toeval dat men beide keren koos voor de laatste week van de lijdenstijd. Dan wordt immers het verraad van Judas in de kerk herdacht, en op die aandacht probeerde men een beetje mee te liften. Men zocht uitvoerig de publiciteit. Het gaat dan om National Geographic, de organisatie die het evangelie van Judas voor veel geld gekocht heeft, en nu dat geld weer moet zien terug te verdienen. Daarvoor werd gebruik gemaakt van een gelikte mediacampagne. Er werd zelfs een beetje een hype geschapen. “Het evangelie is authentiek”, werd er om de haverklap in reclame spotjes gezegd. Veel mensen zullen dat hebben opgevat alsof het evangelie werkelijk geschreven is door Judas, de discipel die Jezus overgeleverd heeft. Dit evangelie zou dan wel eens een heel nieuw licht op Jezus kunnen werpen! Dat is echter niet het geval.
Wat is het evangelie van Judas dan wel?
In de tijd van het Nieuwe Testament en daarna zijn er wel tientallen evangeliën geschreven. Vier van die evangeliën zijn in de bijbel opgenomen, omdat ze volgens de kerk betrouwbare informatie geven over Jezus. Maar er werden nog veel meer evangeliën geschreven, niet alleen in de kerk.
In de tijd van het Nieuwe Testament bestond er een wereldwijde godsdienst, de gnostiek genaamd. Deze godsdienst lijkt nog het meeste op wat er in New Age-kringen in onze tijd geloofd wordt. In de gnostiek werd een sterk onderscheid gemaakt tussen het geestelijke en het stoffelijke. Al het stoffelijke, materiële wat wij zien is minderwaardig en slecht. Alleen het geestelijke, niet-materiële is van waarde. Een mens bestaat volgens deze leer uit een geestelijke vonk. Daardoor zijn wij verwant met God. Maar onze geestelijke vonk is helaas opgesloten in ons lichaam. Door het verwerven van kennis (gnosis) kan een mens zich bevrijden van zijn minderwaardige lichaam en kan de geestelijke vonk in ons weer verenigd worden met God.
Toen het christendom opkwam, waren er ook aanhangers van de gnostiek, die interesse hadden in het christendom. Ze pikten zo hier en daar iets uit wat ze wel aansprak, en lieten de rest weer zitten. Veel aanhangers van de gnostiek hadden het idee, dat de God die de wereld geschapen heeft, maar een slechte God is. Want de wereld is bepaald niet volmaakt. Het Oude Testament, dat vertelt over deze Schepper-God werd daarom vaak afgewezen. Vandaar dat er in de gnostiek een stroming kwam, die zich de Kainieten noemde. Want als Kain zich verzetten tegen de slechte God van het Oude Testament, dan moet Kain wel een goed iemand geweest zijn. Men kwam dus tot een waardering van personen, die volledig haaks staat op die van de bijbel. Zo werden ook Esau, de inwoners van Sodom en Judas heel positief gewaardeerd.
Wat was dan de verdienste van Judas? Judas heeft Jezus een goede daad bewezen door Hem over te leveren. Hierdoor kon de ‘geestelijke vonk’ in Jezus immers bevrijd worden uit het lichaam van Jezus. Typerend voor deze manier van denken is het volgende citaat uit het evangelie van Judas, waarin Jezus tegen Judas zegt: “Jij zult alle andere discipelen overtreffen. Jij moet offeren de mens die mij bekleed.” Duidelijk is hier weer die afwijzing van het lichaam te zien, die de goddelijke vonk van Jezus gevangen hield. Doordat Judas Jezus heeft overgeleverd aan de soldaten van het Sanhedrin, heeft hij dus juist meegewerkt aan de bevrijding van Jezus’ ziel uit Zijn lichaam.
In de kring van de gnostiek werden er veel geschriften geschreven, die op naam van bijbelse personen werden gezet. Zo bevat de boekrol met het evangelie van Judas ook nog een brief van Petrus en een Openbaring van Jakobus. In de gnostiek werden ook diverse evangeliën geschreven, één van de bekendste is wel het evangelie van Thomas. Al deze evangeliën zijn geschreven lang nadat Jezus op aarde rondliep, door mensen die Jezus dus nooit gesproken of gezien hebben. Juist vanwege al die nieuwe evangeliën heeft de kerk besloten om de betrouwbare evangeliën, die van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes in de bijbel op te nemen, om ze te onderscheiden van alle vrome fantasie van latere tijden.
Het evangelie van Judas is dus niet door Judas geschreven. Het wordt pas anderhalve eeuw na Christus’ rondwandeling op aarde genoemd. In het jaar 180 maakt de kerkvader Irenaeus voor het eerst melding van het evangelie van Judas. Hij bestrijdt de inhoud ervan, en de kerk na hem heeft de inhoud van het evangelie van Judas altijd bestreden. Vandaar dat het evangelie op den duur verloren is gegaan. Voor iedereen die geïnteresseerd is in wat er in de gnostiek werd geloofd, is het evangelie van Judas interessant. Het is oorspronkelijk in het Grieks geschreven. De boekrol die nu openbaar gemaakt is bevat een vertaling van dit evangelie in het Egyptisch (Koptisch). De gevonden boekrol is dus ‘authentiek’ in die zin, dat het inderdaad een vertaling betreft van het evangelie dat in de tweede eeuw op naam van Judas is geschreven. Maar het is dus zeker niet door Judas geschreven en het evangelie vertelt over Jezus niets nieuws.
Het is duidelijk dat dit evangelie ver afstaat van de bijbelse evangeliën. De bijbelse evangeliën noemen de overlevering van Jezus door Judas ‘verraad’(Lukas 6:16), een ‘werk van de macht der duisternis’ (Lukas 22:53), ingegeven door de duivel (Johannes 13:2). Het ware voor degene die Jezus zou verraden ‘beter als hij niet geboren was’ (Matteüs 26: 23-24). Dat er na de Bijbelse evangeliën allerlei andere, alternatieve visies geschreven zijn, verandert daar niets aan.
Het hoeft ons niet te verbazen, dat er buitenbijbelse geschriften zijn waarin allerlei andere visies op de bijbelse heilsgeschiedenis worden gegeven. En dat dergelijke alternatieve geschriften zeer populair zijn evenmin. Te denken valt hierbij ook aan een eigentijdse roman als Dan Browns’ Da Vinci Code, waarin aan Jezus een verhouding wordt toegeschreven met Maria Magdalena en die momenteel herdruk op herdruk beleeft. Maar daarover in een volgende KSSK meer.
Het trieste van het evangelie van Judas, en van alle dergelijke publicaties, is dat ze mensen afleiden van de enige ware blijde boodschap: Jezus heeft Zich laten overleveren, om aan het kruis van Golgotha Gods toorn over onze zonden te dragen. Daarmee heeft Hij de weg tot God geopend en daarom is Hij: de Weg, de Waarheid en het Leven.
April 2006 Meditatie
“Er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid” (I Korinthe 15: 43).
Paulus heeft zijn brief aan de Korinthiërs geschreven tijdens zijn derde zendingsreis. Paulus verbleef toen in Efese. Dat zal zo rond het jaar 55 geweest zijn. Vrij algemeen gaat men ervan uit, dat de brieven van Paulus nog vóór de evangeliën geschreven zijn. Daarmee is datgene wat Paulus vertelt het oudste geschreven getuigenis dat wij van de opstanding hebben. In de gemeente van Korinthe waren er mensen die niet in de opstanding geloofden. Er wordt wel eens gezegd dat de moderne mens moeite heeft om in de opstanding te geloven. En dan wordt erbij gedacht, dat men vroeger wel zo goedgelovig geweest moet zijn, om zoiets als zoete koek te slikken. Dat is dus niet waar. Ook in de eerste christelijke gemeente, bijna 2000 jaar geleden, had men er moeite mee om in de opstanding te geloven. Toen Paulus op de Areopagus het evangelie verkondigde, luisterde men nieuwsgierig, totdat Paulus over de opstanding begon. Toen was spot zijn deel. Wat zegt Paulus tegen hen die de opstanding ontkennen of wegredeneren? Allereerst zegt hij: ga het maar navragen. Jezus is na zijn opstanding verschenen aan vijfhonderd broeders tegelijk. De meeste van die vijfhonderd zijn nog in leven. Dus je kunt het nog eens navragen. Wij kunnen het niet meer zo navragen. Maar het moet een geweldig iets zijn geweest, waarover de evangeliën ons verder niets hebben overgeleverd. Jezus Christus, de Opgestane, die aan vijfhonderd broeders tegelijk verschenen is. Gelukkig geeft Paulus nog een andere reden om in de opstanding te geloven. Kijk eens om je heen, in de natuur. Daar vallen jaar in jaar uit talloze zaadjes in de aarde. En die zaadjes vind je nooit meer terug, die verdwijnen. Maar door die zaadkorrels groeien er allerlei planten en bomen. Uit een piepklein zaadje kan iets geweldigs groeien. En wat er voor boom of plant uitgroeit, dat zit al in dat zaadje verborgen. Dat gebeurt ieder jaar, elk voorjaar zie je het om je heen. Het gebeurt zo vaak en zo veel. Daarom zien wij het wonderlijke er niet meer van. We zijn eraan gewend, het is gewoon. Maar als je erover nadenkt, dan is het met het verstand niet te vatten. Zo is het ook met de opstanding. Een lichaam wordt begraven, zoals een zaad in de grond terecht komt. Vandaar de naam dodenakker voor een kerkhof. En eens, op de grote dag, dan zullen er uit al die zaden nieuw lichamen groeien. Datgene, wat God ieder jaar in de natuur talloze malen doet, zou Hij dat ook niet met het lichaam van een mens kunnen doen? Een lichaam dat vergankelijk is, wordt gezaaid, een lichaam dat onvergankelijk is staat op. Nu is ons lichaam nog zwak, dan zal het sterk zijn. God is een God van wonderen en verrassingen. Zijn volk staat verbaasd en verheugt zich over Zijn grote daden. In het geloof mogen we uitkijken naar wat Hij nog aan heerlijke dingen zal doen. Dat geloof is de troost waaraan we ons in leven en in sterven mogen vasthouden.
Maart 2006 Meditatie “Hij begon bedroefd en beangst te worden. Toen zei Jezus tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe” (Mat. 26: 37, 38).
Jezus is in de hof van Gethsemané, samen met Petrus, en de zonen van Zebedeüs. Dan begint Hij bedroefd en zeer beangst te worden. Dat moet onvoorstelbaar diep gegaan zijn. Jezus zegt: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe. Wat gaat er om in de gedachten van iemand die niet verder wil leven? De meeste van ons weten dat gelukkig niet. De Here Jezus weet het wel. Hij is zelf in die situatie geweest, dat Hij liever wilde sterven dan verder leven. Jezus begint zelfs bloed te zweten. Dat wordt verteld door de evangelist Lucas. “Hij werd dodelijk beangst… en zijn zweet werd als bloeddruppels”(Lucas 22: 44). Het zal geen toeval zijn dat juist Lucas dit vertelt, want Lucas was immers arts. Dat iemand bloed zweet is een vrij uitzonderlijk verschijnsel. Langs de zweetklieren in het voorhoofd lopen veel kleine bloedvaatjes. Onder invloed van grote stress kunnen deze bloedvaten zich samentrekken. Als die bloedvaten bijna op barsten komen te staan, en kleine scheurtjes gaan vertonen, dan kan bij iemand zweet vermengd met bloed door zijn zweetklieren naar buiten komen. Waar is Jezus bedroefd over? Over de wereld, over wat er van Gods schepping geworden is. Over de zonde, over al het kapotte, over de gebroken verhouding met God. Jezus heeft intens verdriet gehad over de opstand van de mens tegen God. Hij heeft zwaar geleden aan de schuld die Hij kwam verzoenen. Waar is Jezus bang voor? Voor de beker die Hij zal gaan drinken. De beker van de toorn van God over de zonden van de wereld. De vloek en de straf die Hij voor de Zijnen zal ondergaan. De eenzaamheid waarmee dat gepaard ging. Van God en mens verlaten, de godverlatenheid, de hel, daarin kwam Hij terecht. Zover is Christus voor ons gegaan. We kunnen dat niet doorgronden of navoelen. We moeten het wel weten. Daar in de hof van Gethsemané heeft Christus gestreden en aan ons gedacht. Jezus is niet gestorven als een martelaar voor Zijn idealen. Hij is gestorven als de Middelaar voor Zijn gemeente. Hij werd door God verlaten, zodat wij nooit meer door God verlaten zouden worden. Hij droeg de vernedering van de zonde, zodat wij koningskinderen zouden zijn. Hij droeg een doornenkroon, zodat wij eens een eerkroon mogen dragen. Hij werd bedroefd, zodat Paulus aan de gemeente kon schrijven “Verblijdt u in de Here te allen tijden” (Fil. 4:4). Hij was beangst, zodat de bijbel ons keer op keer kan oproepen; ‘vrees niet’. Angst, dat heeft te maken met hulpeloosheid, met onmacht, met het niet langer tegen de omstandigheden opgewassen zijn. Maar wie in Jezus gelooft die is behouden. God zal ervoor zorgen dat wie zijn vertrouwen op Hem stelt geholpen zal worden. Wij hoeven niet over te doen wat Jezus heeft gedaan. Hij heeft het voor ons gedaan. Wij worden gezet in de ruimte van Gods genade. Wij ontvangen het zicht op Zijn eeuwig Koninkrijk. Wij mogen weten dat niets ons zal scheiden van de liefde van Christus, en dat God ons nooit loslaat. Daarom is de zwartste dag uit het leven van Jezus voor ons een goede vrijdag. Dat wat Hij voor ons deed zal tot in eeuwigheid door Zijn gemeente bezongen worden. Jezus’ liefde voor Zijn gemeente is onpeilbaar diep, daarom is er een eeuwigheid nodig om die te peilen. We hopen dat een ieder, en zeker degene die leeft met ziekte, met gemis, met eenzaamheid zich mag verwonderen over die liefde. Want de verwondering daarover is het begin van een vreugde die nooit meer vergaat.
Waarom zou ik naar de kerk gaan? Om ons bestaan ten volle te beleven. Eerder haalde ik het boek van professor Van Ruler aan “Waarom zou ik naar de kerk gaan?” Van Ruler, vlak na de oorlog predikant in de Diependaelse Kerk te Hilversum, geeft daarin 22 redenen om naar de kerk te gaan. Eén van die redenen is: om het bestaan ten volle te beleven. Hij stelt daarin: de mens is een zoogdier, een onderdeel van de wereld en de natuur om ons heen, net als de planten en de dieren. Toch is er een heel wezenlijk verschil tussen de mens enerzijds, en planten en dieren anderzijds. Planten en dieren zijn niets meer dan een stukje van hun omgeving. Planten vegeteren. Dieren eten en drinken, en lopen hun instincten achterna. Maar een mens is meer. Hij kan afstand nemen van zijn omgeving, en erover nadenken. Hij kan zich stellen tegenover de wereld om zich heen. Hij kan zijn eigen bestaan overdenken. Hij kan zich afvragen waar hij vandaan komt en waar hij heengaat. Hij kan zich afvragen welke verantwoordelijkheden hij heeft. Hij heeft besef van goed en kwaad. Dat alles beleeft een mens het meeste als hij naar de kerk gaat. Dan stelt hij zich voor het Aangezicht van zijn Schepper. Hij zoekt Gods aangezicht, hij zingt Gods lof, hij hoort Gods Woord, hij leert wat goed en kwaad is. Zonder die dingen wordt het leven vlak en het hele wereldgebeuren een aaneenrijging van louter toevalligheden. Zonder de kerkgang is een mens niet geheel zichzelf en is het leven niet compleet. Wie de kerkgang mist, mist het eigenlijke van zichzelf en van alles. En dan neigt het bestaan naar oppervlakkigheid en troosteloosheid. Kerkgang wil zeggen dat je je eigen huis uitgaat en het huis van God binnen treedt. Dat is een uniek iets. Iemand die naar een stadion, een schouwburg, een school of naar zijn werk gaat, die komt ook wel zijn huis uit, maar toch niet helemaal. Mensen komen dan in grote aanbouwsels van hun eigen huis terecht. Maar wie naar de kerk gaat, komt in Gods huis terecht. Daarin word een mens stilgezet en bepaald bij zijn eigen bestaan, bij zijn Schepper, bij de zin van het leven. Daar wordt een mens ertoe aangezet om na te denken over zichzelf, over de wereld, over God. Een mens kan alleen echt en helemaal aan zichzelf denken, als hij ook aan God denkt. En als hij aan God denkt, dan is hij ook weer met zichzelf bezig. We gaan pas iets van het bestaan begrijpen, als we aan de Schepper denken. Hij gunde het ons om er te zijn. Hij heeft daar plezier in. Wie gelooft, kan daar ook plezier over krijgen. Vreugde daarover dat een mens bestaat door Gods liefde. Dat geeft verwondering en dankbaarheid.
Tot slot Tot slot een gedicht van Jacqeline van der Waals. Jacqueline Elisabeth van der Waals werd geboren op 26 juni 1868. Zij was de dochter van de Nobelprijswinnaar natuurkunde Johannes Diederik van der Waals, naar wie de Van der Waalskracht is vernoemd. Haar moeder stierf toen ze dertien was. Na haar opleiding aan de HBS voor meisjes studeerde ze thuis verder voor de hulpakte voor het onderwijs en de MO-akte geschiedenis en werd ze lerares geschiedenis. Verder hield ze zich bezig met sporten zoals tennissen, schaatsen, wandelen en bergbeklimmen. Ook vertaalde ze romans en gezangen en schreef ze poëzie en proza. Ze was nog maar 52 jaar oud toen ze na een ongeneeslijke ziekte op 29 april 1922 overleed. Haar meest bekende gedicht is zonder twijfel “Wat de toekomst brengen moge”, wat ze vlak voor haar dood schreef. Veel van haar gedichten zijn heel persoonlijk, en gaan over zonde en genade, twijfel en geloof. Het gedicht hieronder heeft de titel “Gethsemané”.
Jezus, de laatste der nachten, Ging naar de hof der olijven, Liet Zijn discipelen blijven Buiten de duistere gaard; Toen koos Hij drie uit hun midden, Met Hem te waken, te bidden, Maar door het bidden en wachten Werden hunne ogen bezwaard.
Kon dan niet één met Hem waken? Eén in die smartelijke uren Met Hem de droefheid verduren Van Zijn verwerping, Zijn smaad? Moest Hij, die zwartste der nachten, Eenzaam de kruisdood verwachten, Eenzaam de bitterheid smaken Van de triomf van het kwaad?
‘k Wil bij Uw droefheid verwijlen, In Uwe smarten verzinken, Gij, die de beker moest drinken, Die de verzoening ons bracht, Wie zal de angsten doorgronden Van deze nachtelijke stonden? Wie zal de duisternis peilen Van deze duistere nacht?
F. Heikoop
Februari 2006 Meditatie "Gij zijt het zout der aarde" (Matth. 5.13a)
Tegen wie zegt de Here Jezus deze woorden? Tegen Zijn discipelen. Jezus spreekt natuurlijk ook tegen de grote schare die daar aanwezig is. Maar evenals de voorafgaande zaligsprekingen zijn deze woorden in de eerste plaats tot Zijn volgelingen gericht. De mensen die naar Hem luisteren en Zijn woorden ter harte nemen. Opvallend is de manier waarop de Heiland deze woorden zegt. Hij zegt niet: "Wordt het zout der aarde", alsof je dat na verloop van tijd kunt worden. Zo heel langzaam er naar toe groeien. Ook niet: "Weest het zout der aarde", als een gebod: ‘nu heb je het maar te zijn’. Maar Hij zegt het als een constatering. Jullie zijn het nu. Omdat ik tegen jullie spreek, zijn jullie het. Waarvoor gebruikte een Israëliet zout? In de eerste plaats om smaak te geven. Dat doen wij ook. Neem maar eens een zoutloze boterham, dan proef je het verschil. Maar men gebruikte in Israël ook zout om bederf af te weren, zoals onze grootouders zoute boontjes hadden. Deze twee dingen spelen mee in de woorden van de Heiland. Zonder de discipelen, zonder de gelovigen, is de wereld smakeloos in de ogen van de Here Jezus. En aan bederf onderhevig. Omdat de discipelen, de christenen zulke vrome en goede mensen zijn? Een beetje beter dan de rest van de wereld? Was dat maar waar! We weten dat dit niet zo is. Een christen die zichzelf beter vindt dan de anderen, is het meest zouteloze en smakeloze dat bestaat. Het gaat om de woorden die ze van de Heiland gehoord hebben en die ze bewaren, doorgeven en in de praktijk brengen. Woorden van zonde en genade, verlorenheid en redding, dood en eeuwig leven. Dat geeft smaak aan deze wereld en kan de wereld van de ondergang redden! De woorden die de Heiland sprak, daar gaat het om. En als we bedenken dat Hij de woorden van Zijn Vader, van God Zelf sprak, dan weten we dat Jezus zelf in de eerste plaats zout is, door Hem bestaat de wereld. Zonder Hem en Zijn lijden en opstanding was alles al lang vergaan. Wij kunnen zout der aarde zijn door Hem, door bij Hem te blijven en Zijn woorden op te nemen en door te geven. Wij zijn als kerk een kleine minderheid, die wel zeer bescheiden dient te zijn. Gelukkig heb je maar weinig zout nodig in het brood en de aardappelen. De Here God beloofde dat als er maar tien rechtvaardigen in Sodom zouden zijn, de stad behouden zou worden. Maar dan moet het zout wel uit het zoutvaatje. Zout moet het deeg in, wil het zijn werk doen. Zo mogen christenen het Woord van Christus de wereld indragen. Zout, geen stroop. De kerk en de christenen dienen niet met de stroopkwast te werken. Zout kan prikkelen! Zo zal tegen ieder mens gezegd moeten worden dat hij voor God niet kan bestaan zonder de genade van de Heiland. Zo zal de trots en tevredenheid van een mens over zichzelf moeten worden afgebroken, dan leren we genade te ontvangen! Zo zal ook het verkeerde in de mens, in de christelijke gemeente, in de wereld moeten worden aangewezen. Gij zijt het zout der aarde. Wie deze woorden van de Heiland veracht is smakeloos en dient nergens meer toe. Maar wie deze woorden hoort en ze doet, die zal als een smaakmaker in deze wereld mogen staan. En zelf voor eeuwig behouden worden.
Tot slot Tot slot een gedicht van Geerten Gossaert. Gossaert is het pseudoniem van Frederik Karel Gerritson (1884-1958). Hij was een begaafd wetenschapper, historicus, schrijver, politicus en dichter. Gerritson is hoogleraar en lid van de Eerste Kamer geweest. Zijn hele dichtwerk bestaat uit slechts één bundel gedichten, die bij de eerste druk slechts 20 gedichten bevatte. Bij iedere herdruk kwamen er een paar bij, aan het einde van zijn leven was de bundel uitgegroeid tot 60 gedichten. Het hier volgende gedicht heeft als titel: “De moeder”.
Hij sprak en zeide In ’t zaal zich wendend: Vaarwel, o moeder, Nooit keer ik weer…. En door de lanen zag zij hem gaan en Sprak geen vervloeking, maar weende zeer.
Sprak geen vervloeking…. Doch, bijna blijde, Beval den maagden: Laat immermeer De zetels staan en De lampen aan en De poort geopend, de slotbrug neer.
Maar toen, na jaren, Melaatse zwerver Ter poorte klaagde: Uw zoon keert weer…. Zag zij hem aan en Vond geen tranen Voor zoveel vreugde geen tranen meer.
F. Heikoop
Januari 2006
Meditatie "Christus is het Die gestorven is, ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt". (Rom. 8:34) We hebben Kerstfeest 2005 gevierd. We hebben gedacht aan de geboorte van de Here Jezus Christus. Voor heel veel mensen is dat het enige contact met het christelijk geloof. Maar in de Bijbel lezen we dat Kerstmis slechts het begin is. Bovengenoemde bijbeltekst geeft aan wat er na Kerst gaat gebeuren. Waarom Jezus op aarde is gekomen. De tekst komt uit de brief van de apostel Paulus, die hij geschreven heeft aan de christenen die in Rome woonden. Hij schreef dat ongeveer in het jaar 57 na Christus toen hij in Efeze woonde. De apostel beschrijft wat Jezus Christus allemaal gedaan heeft om mensen zalig en eeuwig gelukkig te maken. Dat was heel erg veel. Vandaar dat herhaalde ook.... ook.... ook. Het begint dat Christus gestorven is aan het kruis van Golgotha. Dat Christus gestorven is om ons het leven te kunnen geven. Eeuwig leven, want Hij stierf voor onze zonden. Anders gezegd: Hij nam onze zonden op Zich. Daar gaat het om in de Bijbel. Vlak voor de geboorte krijgt Jozef van Godswege de opdracht om het Kind van Maria Jezus te noemen. "Want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden" (Matth. 1. 21). En zonde, dat is alles wat wij in ons leven verknoeid hebben. Zonde is het tekortschieten in de liefde. Zonde is God niet willen erkennen en Hem buiten ons leven houden. Daardoor is God niet meer onze Vader, maar onze Rechter, Die alle gedachten en woorden van ons kent. Welnu, Jezus Christus neemt alle zonden van Zijn volk op eigen schouders. Al dat kwaad trekt Hij naar Zich toe. En de straf van God op al het verkeerde komt op Hem terecht. Zoals een bliksem het hoogste punt opzoekt, de bliksemafleider. En wie daaronder zit is veilig. Het kruis van Golgotha is de bliksemafleider van deze wereld. Maar Paulus gaat nog verder. Want als Jezus "alleen maar" gestorven is, dan loopt de zaak nog spaak. Dan zouden we een dode Verlosser hebben. Goddank, Jezus is opgestaan. Want nu kunnen we tot Hem bidden. Nu kan Hij ons vergeven. Nu kunnen we zingen: "Ga niet alleen door 't leven, die last is u te zwaar. Laat Een u sterkte geven, ga tot uw Middelaar". Nu denken we met vreugde in de belofte van Jezus: "En zie, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld" (Matth. 28. 29). Hoe kan Jezus met ons zijn? Wel, door Zijn Geest. Door die Goddelijke kracht, die Goddelijke Persoon, die Jezus in onze harten wil geven. Dat is de band die ons met Hem samenbindt en verenigt. Daarom roept Kerstmis om Pasen, het opstandingsfeest, en om Pinksteren, het feest van de Heilige Geest. Paulus gaat nog verder. Hij is aan de rechterhand van God de Vader. Wat betekent dat? Dat was in het oude Oosten de ereplaats van de onderkoning, die namens de koning regeert. Zo regeert Jezus Christus namens Zijn Vader. Wat regeert Hij? Zijn kerk, de nieuwe verloste mensheid. Jezus leidt het zo in de wereld dat er altijd een kerk zal blijven bestaan tot Hij zal wederkomen om een nieuwe aarde te geven waarop vrede en gerechtigheid woont. De tekst eindigt met: "dat Hij voor ons bidt". Wat vraagt Hij? Dat Zijn schapen niet moedeloos worden in de zorgen van de wereld. Dat ze blijven uitzien naar Zijn wederkomst. Dat zij anders zullen gaan leven op deze wereld, elkaar liefhebben en elkaar dienen. Dat bij het sterven Zijn Vader hen genadig zal opnemen. Kortom, dat ze niet verloren gaan. Me dunkt, is er niet alles voor om bij deze biddende Jezus te horen?
Israël onder de volken Prof. Moshe Sharon is een vooraanstaande academicus en islamkenner en geeft colleges over de geschiedenis van de islam aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Prof. Sharon promoveerde in de middeleeuws islamitische geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit en werkte als adviseur Arabische zaken voor de toenmalige eerste minister Menachem Begin en voor het ministerie van defensie. Hij was vroeger directeur van de afdeling Johannesburg in Zuid Afrika van de Zionistische wereldorganisatie. Onlangs verscheen in verschillende kranten het volgende artikel van hem over de positie van Israël tussen de omliggende volkeren: “Het is hoogst belangrijk om te begrijpen hoe een beschaving kijkt naar het einde der tijden. In het christendom en in het Jodendom weten we precies hoe die visie van het einde der tijden eruit ziet. In het Jodendom zal het gaan als in het boek Jesaja: vrede tussen naties, niet slechts met één natie die overblijft, maar met en tussen alle naties. De mensheid zal géén behoefte aan wapens hebben en de natuur zal zijn veranderd: een prachtig einde der tijden met het Koninkrijk van God op aarde. Het christendom gaat in het boek Openbaring zelfs zo ver, dat satan zelf wordt vernietigd. Dan zijn er géén machten der duisternis meer. Ik spreek nu als historicus. Ik probeer te begrijpen hoe de islam het einde der tijden ziet. Aan het einde der tijden ziet de islam een totale moslimwereld, iedereen volledig moslim onder de wetten van de islam. Volledige en uiteindelijke overwinning. Christenen zullen daar niet meer zijn, omdat overeenkomstig vele tradities in de islam, de moslims die in de hel zijn, zullen worden vervangen door anderen. Zij zullen namelijk worden vervangen door christenen. Joden zullen er ook niet meer zijn, omdat er voor de komst van het einde der tijen een oorlog tegen de Joden zal zijn, waarin alle Joden gedood zullen worden. Ik citeer nu uit het hart van de islamitische traditie, uit boeken die door ieder moslimkind op een moslimschool worden gelezen. De Joden zullen allemaal gedood worden. Zij zullen vluchten en ze zullen zich verbergen achter bomen en rotsen, en op die dag zal Allah een stem geven aan de rotsen en bomen en die zullen roepen: “Oh moslim, kom hierheen, er zit een Jood achter me, dood hem.” Zonder dit kan het einde der tijden niet komen. Dat zijn fundamenten in de islam. De vraag die wij in Israël ons stellen, is: wat zal er gebeuren met ons land? Bestaat er een mogelijkheid deze oorlogsdans te beëindigen? Het antwoord is: neen! In ieder geval niet in de nabije toekomst. Wat we wel kunnen doen is een situatie bereiken waarin we voor een paar jaar relatieve rust en stilte kunnen hebben. Maar voor de islam was de oprichting van de staat Israël een terugslag in de islamitische geschiedenis. In de eerste plaats werd islamitisch grondgebied/territorium door Joden afgepakt van de islam. U weet nu dat dit nooit kan worden aanvaard door de islam, zelfs niet één meter grondgebied. Dus iedereen die denkt dat Tel Aviv veilig is, die maakt een grote vergissing. Grondgebied/territorium dat voorheen door islamitische wetgeving is overheerst, is nu niet-moslimgebied geworden. Niet-moslims zijn onafhankelijk van islamitische wetgeving. Joden hebben hun eigen onafhankelijke staat geschapen. Dat is een anathema (iets vervloekts). En (en dat is het ergste) dit Israël, een niet-moslimstaat, regeert over moslims. Het is ondenkbaar dat niet-moslims regeren over moslims. Ik hoop dat de westerse beschaving bijeen zal blijven en dat we elkaar zullen steunen. Of dit wel of niet zal gebeuren, weet ik niet. Israël bevindt zich in de frontlinies van deze oorlog. Israël heeft de steun van zijn zusterbeschaving nodig. Israël heeft de steun en hulp van Amerika en Europa nodig. Israël heeft de steun van de christelijke wereld nodig. Van één ding ben ik overtuigd, en wel dat die steun en hulp door individuele christenen kan worden gegeven, die deze steun en hulp als de weg naar verlossing zien.”
Tot slot Een van de meest geliefde liederen uit de kerk in Amerika en Engeland is ‘Abide with me’, bij ons vertaald als ‘Blijf bij mij, Heer’. Het lied is gezang 392 uit het Liedboek. Het lied wordt bijvoorbeeld ieder jaar in het Wembley stadion bij de Engelse voetbalcupfinale massaal gezongen. Dat gebeurde voor het eerst in 1927 op verzoek van de latere koning George VI van Engeland. Toch is dit het lied van een doodziek mens. Met name het laatste couplet laat zien hoe de dichter de dood voor ogen heeft. Dichter van dit lied was Henry Francis Lyte, die leefde van 1793 tot 1847. Lyte was een Schot, hij studeerde medicijnen en theologie en werd vervolgens op zijn dertigste predikant in een vissersdorp in Zuid-Engeland. Vijfentwintig jaar was hij daar werkzaam. Hij was slechts 54 jaar oud toen in 1847 bij hem tuberculose geconstateerd werd. Op 4 september ging hij voor het laatst in een kerkdienst voor, en diezelfde avond schreef hij het gedicht ‘Blijf bij mij, Heer’. De volgende dag reisde hij naar Nice vanwege het milde klimaat daar. Hij overleed op 20 november van datzelfde jaar en werd in Nice begraven. In het Liedboek staat nog een tweede lied van zijn hand, ‘Loof de Koning, heel mijn wezen’(gezang 460). De populariteit van het lied ‘Blijf bij mij, Heer’ is waarschijnlijk ook te danken aan de schitterende melodie van de hand van een zekere William Monk. De melodie bevat slechts zes verschillende tonen, waardoor het lied een indringend karakter krijgt. Nu ontbreken om een mij onbekende reden de coupletten 3 tot en met 5 van Lyte’s gedicht in de Nederlandse vertalingen. Terwijl ook in die coupletten mooie dingen gezegd worden. Hier volgt het gehele lied van Lyte, inclusief de drie ontbrekende coupletten:
Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt. De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt. Andere helpers, Heer, ontvallen mij. Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.
Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt. Alles verdoft wat glans bezat en gloed. Alles vervalt in 't wisselend getij, maar Gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij.
Geen kort moment, geen voorbijgaand woord vraag ik, Maar zoals u steeds bij uw discipelen was, Vriendschappelijk, minzaam, geduldig, trouw, Kom, niet voor een moment maar blijf bij mij!
Kom niet in oordeel, Koning der koningen, Maar vriendelijk en goed, met genezing onder Uw vleugelen, Met mededogen voor mijn smart, met hart voor elke klacht, Kom, Vriend van zondaren, en blijf bij mij.
Gij, die toen ik kind was over mij glimlachte, En, hoewel ik opstandig en verdorven Steeds U verlaat, Gij verliet mij nooit, Ook tot mijn einde, Heer, blijf mij nabij.
U heb ik nodig, uw genade is mijn enig licht in nacht en duisternis. Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij? In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.
Ik vrees geen kwaad, want bij mij is de Heer. Tranen en leed zijn nu niet bitter meer. Waar is uw prikkel, dood, wat dreigt ge mij? Ik triomfeer, mij is de Heer nabij.
Houd, Heer, uw kruis hoog voor mijn brekend oog, licht in het duister, wijs de weg omhoog. Uw dag breekt aan, de schaduw gaat voorbij. In dood en leven, Heer, wees Gij nabij.
F. Heikoop
December 2005 Meditatie En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind liggende in de kribbe. (Lucas 2.16) Kerstfeest is een nieuw begin? We zien dat aan de herders. Als ze in Bethlehem geweest zijn en het kind gevonden hebben, dan is er iets nieuws in hunleven. Ze maken alom bekend wat zij gezien hebben. Als ze aan hun werk gaan verheerlijken en prijzen zij God over alles wat zij gezien en gehoord hebben. Het zijn de engelen die hen op dit nieuwe spoor gezet hebben. Een paar dingen vallen hierbij op. Engelen zijn in het Oude Testament vaker verschenen. Aan Abraham, aan Jozua, aan Elia, om er maar een paar te noemen. Maar ze verschenen dan altijd aan één persoon. Hier verschijnt voor het eerst een engel aan meerdere personen tegelijk. Je zou kunnen zeggen dat de engelen hier aan de eerste christelijke gemeente verschijnen. Een gemeente in primitieve vorm, maar toch een gemeente. Want was is een gemeente anders dan een groep mensen die Jezus zoekt en vindt, die dat verder vertelt en die God verheerlijkt en prijst. Je zou kunnen zeggen dat dit het geboorte-uur van de kerk is. Het Evangelie verbreedt zich. Het is net zo als met de Heilige Geest. In het Oude Testament was Hij aanwezig in enkele personen, maar in het Nieuwe Testament wordt Hij uitgestort op alle vlees. Zoals de engel tot de herders zegt dat de blijde boodschap er voor alle volken is en niet langer beperkt is tot één volk. Wat verder opvalt is dat al die mensen die Jezus zoeken, dat niet alleen doen. De herders zeiden tot elkaar: “Laten wij naar Bethlehem gaan”.Zij zeiden dat voortdurend tegen elkaar, elkaar aansporend en elkaar bemoedigend dat ze niet tevergeefs zouden zoeken. Dat zie je ook aan Simeon en Anna. Ze zijn niet alleen en van Anna lees je zelfs nadrukkelijk dat ze steeds in de tempel was. Ze behoort net als Simeon bij de groep mensen in Jeruzalem die “voor Jeruzalem verlossing verwachtten”(vers 38). Ook de wijzen uit het Oosten kwamen niet één voor één, maar samen. Samen hadden ze de tocht door de woestijn gemaakt om Jezus te vinden. Elkaar steunend op die moeilijke tocht. En zouden we dan in 2005 zover gevorderd zijn dat we dat nu wel alleen afkunnen? Zouden we nu geen mensen meer nodig hebben die om ons heen staan? Die ons op zijn tijd aansporen,die ons bemoedigen om steeds weer de Heiland te zoeken en bij Hem te blijven? In de Bijbel kom je een man tegen, die net als zoveel moderne mensen, dacht het wel alleen te kunnen en geen gemeente nodig te hebben. U kent hem wel, dat was Thomas. Die verwachtte dat de Here Jezus hem wel persoonlijk thuis zou komen opzoeken. Nu, dat deed de Here Jezus niet. Thomas ontmoet de Heiland pas als hij zich laat meenemen naar de bijeenkomst van de discipelen. Daarop spoort één van de apostelen de gemeente ook aan: “ laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, zoals sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen, en dat zoveel te meer als gij ziet dat de dag van de wederkomst van Christus nadert”. Moeten we niet dankbaar zijn dat er een gemeente is waar we bij mogen horen? Anders gezegd: dat God links en rechts van ons mensen heeft gezet om ons te steunen en die voor ons bidden. En dat er bijeenkomsten zijn waar Jezus Christus wordt verkondigd, en waar we God verheerlijken en prijzen. En dan mogen we God danken dat Hij ons dat zondag aan zondag schenkt.
Tot slot Ik wens u allen een heel goede kerstperiode toe en een goed begin van het nieuwe jaar. Kerst en Oud en Nieuw is voor velen een gezellige periode. Maar voor anderen is het een periode waarin juist ook verdriet en gemis veel sterker gevoeld worden dan op andere momenten. Daarom hoop ik dat de kern van het kerstfeest beseft en gevierd mag worden. God keek om naar deze wereld. Na het zenden van engelen en profeten kwam Hij ten slotte Zelf naar deze wereld. God werd mens. Hij bleef niet in de hemel, maar daalde neer op deze aarde. Daar kun je als mens nooit helemaal bij. De Almachtige werd machteloos, de Alwetende werd een onwetend kind. Hij is ons in alles gelijk geworden, behalve in de zonde. Daarom kunnen wij bij elke emotie of gevoel, dat wij hebben, door God Zelf begrepen worden. Ook de verzoeking, de hopeloosheid, de angst voor de toekomst, de machteloze zorg die wij voor anderen kunnen hebben. Hij weet ervan, en heeft het Zelf ondergaan. Daarom is Hij ons meer nabij dan we voor mogelijk houden. God heeft niet alleen in het lijden van deze wereld gedeeld, Hij heeft ook de uitweg gegeven. Hij kwam als mens om verzoening te brengen, om de gebrokenheid van deze wereld te dragen en op te heffen. Daarom is Hij helemaal mens geworden, om heel ons mens-zijn te verlossen. Hij kwam niet met het lichaam van een man van dertig om maar meteen aan de slag te gaan. Nee, Hij werd als mens geboren, om werkelijk mens onder de mensen te zijn. Om zo mensen ook werkelijk te kunnen verlossen. Daarom werd Hij als baby geboren. Augustinus zegt daarover: een mens is vaak zo hoogmoedig, terwijl God Zich al zo vernederd heeft. De vreugde over deze God met Zijn heil en vrede mag centraal staan op het kerstfeest. En dan komt er vanzelf iets feestelijks. Iets dat vooruit gaat kijken naar het Koninklijke feestmaal, waar ook dit kerstfeest en het nieuwe jaar ons dichter heen brengen.
Tot slot een gedicht van Jochen Klepper die leefde van 1903 tot 1942. Hij studeerde theologie en werd later journalist. Hij is de belangrijkste dichter uit de Evangelische Kirche uit de vorige eeuw. Het gedicht heeft de titel Kerstkyrië.
Kind, in dit heilig samen-zijn Gedenken wij Uw diepe pijn; Het leed dat wij in deze nacht Zelf over U hebben gebracht. Kyrië eleison!
Vol vreugde zingt men overal. Maar U ligt in een arme stal. Het oordeel is reeds lang geveld; Het kruis staat voor U opgesteld. Kyrië eleison!
De wereld hult zich nu in licht, Maar U, o Heer, wacht het gericht. Geen mens wendt Uw ellende af, Want voor Uw kribbe gaapt het graf. Kyrië eleison!
De wereld is één vreugdelied, Maar onze lofzang helpt U niet. De duisternis ontsluit U nu: Wij legden onze schuld op U. Kyrië eleison!
Maar straks wanneer U opstaat, Heer,
Is er geen dood, geen lijden meer. Ons vreugdelied aan U gewijd! Kyrië eleison!
F. Heikoop
November 2005
Meditatie “Zijt Gij het, Die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?” (Matteüs 11:3) In deze dagen voor Kerst denken we aan de komst van Jezus Christus, de Zoon van God, naar deze wereld. Maar is Hij het wel op wie we zaten te wachten? Moet er iemand anders komen, die orde op zaken stelt? Of moeten we maar niet te veel van God en Zijn Zoon verwachten, en moeten we het als mensen zelf opknappen? Het is verrassend om deze “moderne” twijfels in de bijbel al tegen te komen. Blijkt daar misschien niet uit, dat wel de kleding en de techniek veranderen van eeuw tot eeuw, maar niet de mens met zijn vragen en twijfels? En zou het dan niet zo kunnen zijn dat de bijbel een boek is dat voor onze tijd niets aan waarde heeft ingeboet? Wat is het geval? Een neef van Jezus, Johannes de Doper, heeft in zijn preken bekend gemaakt, dat de Verlosser van de wereld, de langverwachte Messias, weldra zal komen. Als Johannes Jezus ontmoet heeft, dan wijst hij Jezus aan en zegt: “Hij is degene op wie wij wachten, Hij zal voor ons orde op zaken stellen, en Hij zal alle kwaad uit de wereld wegbranden”. Maar wat gebeurt er? Als Johannes koning Herodes bestraft, omdat hij de vrouw van zijn broer heeft genomen, wordt hij in de gevangenis geworpen. Johannes houdt goede moed. Jezus zal nu wel spoedig aan het werk gaan, en dan kan het niet anders of Herodes zal door Jezus veroordeeld worden, en Johannes zal worden vrijgelaten. Jezus is toch de Rechter van de wereld? Maar de weken en maanden verstrijken en er gebeurt niets. Dan kruipt bij Johannes de twijfel naar boven. In het woord “twijfel” zit het woord “twee”. In Johannes strijden hoop en wanhoop, vertrouwen en wantrouwen, geloof en ongeloof. Johannes stuurt een paar vrienden naar Jezus om te vragen: “Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een ander?” Waarom blijf ik maar in de gevangenis, waarom komt er geen eind aan mijn ellende? Jezus antwoordt de twijfelende Johannes. Hij zegt: “Gelukkig is degene, die zich niet aan Mij ergert.” Johannes en veel anderen, ook vandaag de dag, binnen en buiten de kerk, ergeren zich aan de handelwijze van Jezus. Waarom verlost Hij mij niet van mijn probleem? Waarom hoort Hij mijn gebed niet? En vult u verder maar in. Waarom neemt Hij de dood niet weg en de ziekte? Hoe vaak heb ik Hem dat niet ernstig gevraagd? Maar Jezus doet niet wat Johannes Hem vraagt, of, misschien moet je zeggen: Hem voorschrijft. En dat is een ergernis die we allemaal moeten verwerken. Jezus is geen uitvoerder van onze plannen, hoe goed bedoeld ze ook zijn. Jezus gaat Zijn eigen weg. Heel vaak neemt Hij onze moeilijkheden niet weg. Maar wel helpt Hij ze te dragen, door bij ons te zijn. In de donkere nacht, in de spanning en zorgen. Hoe meer we daarop vertrouwen, hoe meer we merken dat het echt waar is wat de bijbel zegt: “Ook al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik hoef niet bang te zijn, want U bent bij mij.” Hoe zit dat dan met dat andere, zal Jezus niet het kwade wegbranden? Zeer zeker, maar daarmee wacht hij nog, opdat zoveel mogelijk mensen zouden horen dat hij onze straf gedragen heeft aan het kruis. Zodat wij bevrijd worden van onze schuld. Maar de laatste dag van de wereld komt, waarop Hij recht zal spreken. Dan zal Hij eeuwig gelukkig maken allen die op Hem vertrouwd hebben en op Hem gewacht hebben. Dan zal het kwade worden weggedaan en allen die het kwade liefhebben. Daarom roept de tijd voor kerst ons op om niet alleen aan Zijn komst in Bethlehem te denken, maar ook om uit te kijken naar Zijn wederkomst. Dan zullen de redding en de verlossing van de wereld volmaakt worden.
Loopt er een lijn van Mohammed A. naar Mohammed B.? over geweld in christendom en islam Een tijdje geleden verscheen er in Trouw een artikel van de hand van dr. S. Janse, predikant te Driebergen, met de titel ‘Loopt er een lijn van Mohammed A.(de stichter van de islam) naar Mohammed B. (de moordenaar van Theo van Gogh)’. Janse weet veel van de islam, en zegt in dit wat langere maar lezenswaardige artikel een aantal interessante dingen. Hier volgt het artikel in zijn geheel:
In het dorp dat Wereld heet is sinds 11 sept. 2001 iets veranderd. De aanslag in Madrid op 11 maart 2004 bracht het geweld naar Europa en de moord op Theo van Gogh, de bedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali en de dodenlijsten met Cohen en Aboutaleb brachten het geweld onder ons. We kijken anders naar elkaar, sterker nog, sinds we met een legitimatiebewijs op zak rondlopen, zijn we zelf verdachten geworden. We zijn het er in onze samenleving bijna allemaal over eens wie de grote boosdoener is: het moslim-extremisme, het islamitisch fundamentalisme of hoe we het ook maar noemen zullen. Er loopt een lijn van Osama bin Laden naar Mohammed B. Waar we het niet over eens zijn, is de vraag of er ook een lijn loopt van Mohammed, de profeet, naar Mohammed B.? Met andere woorden: zijn islam en geweld onlosmakelijk met elkaar verbonden? Voert Mohammed B. alleen maar consequent uit wat Mohammed A. al vanaf het begin zei en deed? Daarover zijn we het niet eens. De mensen in de straat niet en de islamologen en arabisten ook niet.
Islam en geweld Islam en geweld staan natuurlijk niet helemaal los van elkaar. Een gematigde moslim zei het zelf: “Wij, moslims, hebben wel een probleem. Niet elke moslim is een terrorist, maar verreweg de meeste terroristen in de wereld zijn wel moslims”. Dat leidt tot de vraag: in hoeverre ligt het geweld in de islam, in de koran en in het optreden van Mohammed zelf verankerd? Een vergelijking tussen het geweld in het christendom en de islam kan helpen om het goede perspectief voor de schets te krijgen. Ik heb het gevoel dat de christelijke theologen zichzelf vanuit een collectief schuldbesef als kritische gesprekspartners in het islam-debat uitgeschakeld hebben. Christenen lopen vaak voorop om de munitie aan te dragen om zich te laten beschieten: middeleeuwse kruistochten en negentiende eeuws kolonialisme zijn daarin permanente bestanddelen. Ik zal het christelijk verleden niet beter maken dan het is, maar op het moment dat zelfbeschuldiging stalinistische trekken krijgt en de historische werkelijkheid vertekent, is het goed om de achterkant van de keerzijde te laten zien. Op twee punten wil ik christendom en islam met elkaar vergelijken. Het eerste betreft het Boek (bijbel / koran) en de Persoon (Jezus / Mohammed). Het tweede raakt de geschiedenis: hoe zijn christendom en islam begonnen, hoe is het verder gegaan en hoe staat het met de kritische reflectie daarop?
Koran, bijbel en geweld Dat de koran een behoorlijke portie geweld herbergt, is sinds Submission 1 voldoende bekend: geweld tegen vrouwen, maar ook geweld tegen de vijanden van het ware geloof. Soera 9:5 roept op: “dood dan de afgodendienaars waar gij hen ook vindt”. Zo is er nog meer te noemen, getuige Soera 4:89, 5.33 en 47.4. Het zou echter niet eerlijk zijn als ik als christelijk theoloog ook niet een aantal gewelddadige teksten uit de bijbel zou noemen, waar wij in de 21e eeuw evengoed van schrikken. In Psalm137:9 wordt de tegenstander van Babel geprezen, die de kinderen van deze vijand tegen de rots verplettert. In Deuteronomium 20:10-14 vinden we het Israëlitisch oorlogsrecht. Als de vijanden een vredesregeling aanvaarden, zullen ze tot herendienst worden gedwongen. “Als ze echter geen vrede willen sluiten en liever de strijd met u aangaan, en de HEER, uw God, u de belegerde stad in handen geeft, moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. Maar de vrouwen en kinderen en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buitmaken. U mag van de buit eten wat u wilt, want u krijgt het van de HEER, uw God.” (vs.12-14). Fundamentalistische van-kaft-tot-kaft-exegeten redden zich meestal uit deze teksten door te zeggen dat God dat toen wel vroeg, maar nu niet meer vraagt. Of, dat dit een woord was dat wel Israël gold, maar niet de christenen van niet-joodse afkomst. Maar het probleem blijft. Is het mogelijk dat God bevolen heeft om een hele mannelijke stadsbevolking uit te roeien, zo ongeveer volgens het Srebrenica-scenario? Of kunnen de schrijvers van het heilige boek zich daarin vergist hebben? Hoeveel menselijks en kleinmenselijks hebben zij gemengd in die woorden die zij van de andere kant opvingen? Ik zeg dat, omdat ik vanuit de woorden en de weg van Jezus Christus begrepen heb dat God anders is. Ik weet dat er ongelukken kunnen gebeuren als het hele Oude Testament als boek van geweld wordt afgeschilderd (hetzelfde geldt voor de koran), ik weet ook dat er in dit boek stemmen klinken, die tot vrede oproepen (ook dat geldt voor de koran). Niettemin zullen christenen de stem van Jezus Christus bij gewelddadige bijbelteksten toch als een bijzondere tegenstem met een eigen gezag horen. Hier ligt een verschil met wat in de hoofdstroom van de islam wordt beleden. Daar is weinig kritische ruimte tussen Mohammed en de koran. De boodschap van Allah = de boodschap van Mohammed = de boodschap van de koran. De hermeneutiek, de set spelregels voor de vertolking van oude gezaghebbende woorden, is hier onderontwikkeld. Christelijke theologen weten (hopelijk!) dat niet elk gebod van Israël voor ons als niet-Joden geldt en dat een woord, dat in de Israëlitische patriarchale boerensamenleving van 2500 jaar geleden gold, niet zonder meer over te brengen is naar mensen in de geïndustrialiseerde individualistische maatschappij van de 21e eeuw. Dergelijke beseffen zijn in de moskee schaars. Ik beroep me hiervoor op een ANP-bericht waarin moslimtheoloog Ajouaou aan het woord komt. “‘Moeilijke passages’ noemt de moslimtheoloog Mohammed Ajouaou de verzen in de koran die oproepen tot geweld tegen bijvoorbeeld ongelovigen. ‘Heel voorzichtig’ buigen moslims in Nederland zich volgens hem over de vraag wat ze met dat soort teksten aan moeten, ook al roept dat soms heftige weerstand op. Voor veel moslims komt dat neer op tornen aan Gods woord. De discussie komt vooral in maatschappelijke debatten op gang, nauwelijks in moskeeën, aldus Ajouaou, adviseur bij de welzijnsorganisatie Prisma Brabant. Hij pleit ervoor gewelddadige koranverzen niet letterlijk te nemen of ze desnoods tussen haakjes te zetten. Dat is voor veel moslims, die de koran vers voor vers als Gods woord zien, taboe.” Dit is een open islamitisch geluid. Dat bestaat dus wel. Maar het is in Nederland volgens de heer Ajouaou uitzonderlijk. Ik denk dat het ook in de wereldwijde oemma (de gemeenschap van moslims) het minderheidsstandpunt van een enkeling is. Dit is theologisch revolutionair en ongehoord. Mijn eerste conclusie is: christenen en moslims hebben allebei teksten in hun heilige boek staan die oproepen tot geweld. Christenen kunnen deze teksten makkelijker een plaats geven, omdat ze in de boodschap van Jezus Christus een ijkpunt hebben. Gematigde moslims hebben hier een probleem en uiteindelijk weinig verweer als extreme moslims hen wijzen op bepaalde teksten in de koran ter legitimering van geweld.
Begin van islam en christendom Mijn tweede punt is dit: het christendom en de islam hebben een geheel verschillende start. Die van de islam is uiterst gewelddadig, die van het christendom is volstrekt geweldloos. Ik wil de islam niet demoniseren, maar wel de feiten te laten spreken. In de Middeleeuwen heeft men van twee kanten royaal geweld gebruikt. Islamieten hebben het christelijke Azië veroverd, christenen het Moorse Spanje terug veroverd. Islamieten hebben tot 1683 (beleg van Wenen) Europa bedreigd, christenen hebben met de kruistochten hun sporen verdiend. In deze korte schets kan natuurlijk geen recht worden gedaan aan de nuances. Er zijn ook perioden aan te wijzen waarin islamitische rijken bestonden die betrekkelijk tolerant waren en er is in de loop van de eeuwen in Christus’ naam ongelofelijk veel bloed vergoten. Dat moeten we als christenen niet ontkennen en waar dat gebeurd is, past ons bescheidenheid en erkenning en schaamte. Maar als we ons concentreren op het ontstaan van beide religies, de formatieve periode, de periode waarin een godsdienst zijn grondtrekken krijgt, moeten we zeggen dat die fundamenteel verschillend is. Mohammed heeft geweld nooit geschuwd om zijn plannen door te zetten. Vanaf het begin is het zwaard geaccepteerd om de bedoelingen van Allah te realiseren. Daarvoor heeft Mohammed oorlogen gevoerd en daarvoor heeft hij een joodse stam, de Banoe Koraiza, die zich tegen hem verzette, af laten slachten. Er is vanaf het begin in de islam een totale verbinding geweest van religie en politiek en dus van religie en geweld. De expansie van de islam begint al bij Mohammed en bij zijn dood in 632 is de halve maan bijna in het hele Arabische schiereiland geplant. Dertig jaar later is er een islamitisch rijk van Libië tot en met Perzië gesticht. Vergeleken met deze expansie stellen de kruistochten militair niets voor. Een vergelijking met de ontstaansgeschiedenis van het christendom loont. Drie eeuwen lang hebben christenen in het Romeinse Rijk een getolereerde of vervolgde minderheid gevormd. Nooit zijn er in deze eerste eeuwen pogingen geweest om het evangelie met het zwaard te verbreiden. Dat zou ook absoluut niet in de geest van Jezus Christus zijn geweest. Als er iets duidelijk is over Jezus, dan is het dat Hij geen geweld gebruikte om zich tegen de Romeinen te verzetten, laat staan om zijn beweging met geweld te verbreiden. Er zijn aanwijzingen dat het voor Jezus een reële verzoeking is geweest om naar de wapens te grijpen en het goede doel met het zwaard te realiseren. Het verhaal van de verzoeking in de woestijn zegt ons dat Jezus niet voor deze verzoeking bezweken is. De geschiedenis van Mohammed maakt duidelijk dat hij wel bezweek voor de verleiding van de macht. Jezus’ tocht naar Jeruzalem was wezenlijk anders dan Mohammeds tocht naar Mekka. Ik geef toe dat christenen in de geschiedenis daarom een grotere schuld op zich geladen hebben, omdat het geweld, dat zij in Gods naam en in Jezus’ naam gebruikten, haaks stond op de woorden en daden van Jezus zelf. Een islamiet die geweld gebruikt, kan zich met een verwijzing naar Mohammed verregaand legitimeren. Een christen kan zich daarvoor niet op Jezus beroepen. Ik wil daarmee niet zeggen dat christenen nooit geweld mogen gebruiken, wel dat het een ontoelaatbaar middel is om het geloof te verspreiden. Op de vraag of geweld en islam onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, moeten we in elk geval zeggen dat de beginperiode van de islam buitengewoon gewelddadig is geweest.
Islam en geweld Ik heb begrepen dat geweld ter verbreiding van het ware geloof wel aan spelregels gebonden is en dat er daarom verschillende antwoorden gegeven kunnen worden op de vraag of er een lijn loopt van Mohammed A. naar Mohammed B. Maar in de islamitische bronteksten en het voorbeeld van Mohammed zijn wel goede papieren te vinden voor moord op en bedreiging van Allah’s tegenstanders. Theo van Gogh heeft de profeet beledigd en Hirsi Ali is een afvallige. Ook als de gezaghebbende religieuze leiders in deze concrete gevallen geen doodvonnissen uitvaardigen, doet dat niets af aan het feit dat geweld in de islam over vrijwel de hele breedte principieel aanvaard wordt als middel tot het goede religieuze doel. De tegenwerping ligt voor de hand: moeten we het verleden niet laten rusten? Verleden is verleden en wij leven nu. Het gaat er om hoe we nu leven en wat mensen nu doen. En moeten we dan niet zeggen dat de meerderheid van de moslims in de wereld en zeker in Nederland gewone vredelievende burgers zijn zonder terroristische bedoelingen? Dat laatste geloof ik graag, maar er is wel een probleem. Voor een moslim is het verleden nooit verleden, nooit weg, nooit iets dat je vergeten mag. Daar liggen zijn wortels. Een beetje moslim zal in Mohammed het grote voorbeeld zien dat in alles gevolgd moet worden. Het leven van Mohammed is normatief, het begin van de islam is de gouden tijd, die weer teruggeroepen moet worden.
Zelfkritiek Daar ligt het probleem voor de gematigde moslims tegenover de extreme moslims. Hebben de extreme moslims niet tot op zekere hoogte gelijk met hun greep naar het geweld om de wereld te veroveren voor Allah? Wat islamieten mijns inziens nodig hebben, is een kritische doordenking van hun eigen geestelijke wortels. Ik heb begrepen dat maar weinig moslims zich daar aan wagen. En ik begrijp ook dat dat moeilijk is en gevoelig ligt, want het betekent een behoorlijke verbouwing van het huis van de islam. Geen moslim zal het mij hopelijk kwalijk nemen dat ik geloof dat Isa (inderdaad, Jezus uit Nazaret) daarbij helpen kan. Ik ga nog één stap verder. Het christendom heeft zich in de loop van zijn geschiedenis zwaar bezondigd aan het gebruik van politieke en militaire macht om zijn positie veilig te stellen en zijn boodschap te verspreiden. Daarop is wel een diepgaande bezinning gekomen. De theoloog G.J. Heering schreef in 1928 De zondeval van het Christendom om te laten zien wat er vanaf keizer Constantijn de Grote fout is gegaan. Zelfs de paus heeft intussen de inquisitie veroordeeld. Of dat allemaal van harte is gegaan of afgedwongen door de verlichte tijdgeest laat zich natuurlijk vragen. Niettemin wordt er, zeker binnen de Protestantse kerken, kritisch aangekeken tegen het gebruik van geweld om religieuze doelen na te streven. Zo valt het niet mee om christelijke theologen te vinden die de kruistochten verdedigen. Maar het schokkende is dat het evenmin meevalt om islamitische theologen te vinden, die kritisch spreken over de veldtochten van Mohammed en de gewapende strijd ter verbreiding van de islam in de eerste eeuwen na het optreden van de profeet. Bij mijn weten vindt kritische reflectie op de eigen geschiedenis in de islam niet of nauwelijks plaats. Het ligt juist omgekeerd. In de ongelofelijke expansie van de islam ziet men een teken van de waarheid en de goddelijkheid van deze religie. Ik vind dit typerend. Het maakt duidelijk dat er weinig interne discussie is (mogelijk is?) over de fundamentele verhouding van geloof en geweld. Dat bedoel ik met de zwakte van de gematigde islam tegenover de extreme islam. Het eigen verleden is niet verwerkt en onverwerkt verleden wreekt zich altijd op onverwachte momenten. Op 11 sept. 2001 bij voorbeeld en op 11 maart (Madrid) en 2 november 2004 (moord op Van Gogh).
Conclusie Ik geloof dat de conclusie onontkoombaar is. Gebruik van geweld ter verwezenlijking van religieuze doelen is diep in de bodem van de islam verankerd. Islamitische theologen zullen dit geen leuke conclusie vinden. De meeste christelijke theologen in ons land trouwens ook niet. Maar ik ben bang dat de laatsten veelal gevangen zitten in een tunnelvisie waardoor ze de historische en actuele werkelijkheid niet meer onder ogen kunnen zien. Veel christenen scheppen zich in de dialoog een islam naar hun eigen religieuze beeld en gelijkenis: vriendelijk, pretentieloos, ongevaarlijk, relativistisch en voeren met deze islam een plezierig gesprek. Wie bang is dat ik hiermee op oorlogspad ga, kan ik geruststellen: ik heb herhaaldelijk gepleit voor ruimte voor moslims in ons dorp Driebergen om hun eigen moskee te kunnen bouwen (in feite zijn het er twee geworden). Per slot van rekening is het hier geen Saoedi-Arabië. Ik wil in mijn pastorale praktijk ook nog wel eens het advies van bisschop Muskens doorgeven: nodig je islamitische buurman of buurvrouw een keer op de koffie. We moeten in dit land wel verder met elkaar. Eerlijkheid en duidelijkheid kunnen daartoe misschien ook bijdragen.
Tot slot Tot slot een gedicht van Anton van Duinkerken, getiteld “De Herders”.
Omdat eenvoudigen verstaan Wat door geen ingewikkeld zoeken Noch lezen in geleerde boeken Begrepen wordt of nagegaan,
Zijn herders toen in Uwe stal Geknield en hebben U aanbeden Dit is twee duizend jaar geleden En nog weet elk het overal.
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld, De rest van hun onschuldig leven Is door geen wetenschap beschreven, Wordt slechts aan kinderen verteld.
F. Heikoop
Oktober 2005
Meditatie "Is er dan geen God in Israël, dat gij Baäl-Zebub, de god van Ekron, gaat raadplegen". (2 Koningen 1: 3). Bovengenoemde uitspraak wordt in de eerste helft van dit hoofdstuk twee keer herhaald. Dus kunnen we er zeker van zijn dat dit belangrijk is. Wat is het geval? Koning Achab is gestorven en zijn zoon Ahazia is koning geworden in zijn plaats. Ahazia regeert twee jaar en hij krijgt een ernstig ongeluk. Hij stuurt boden om aan Baäl-Zebub in Ekron te vragen of hij beter zal worden. Baäl-Zebub betekent letterlijk: "God van de vliegen". Een van de priesters van deze god had een kooitje met vliegen. Als hem om de toekomst gevraagd werd liet hij enkele vliegen los en aan de manier waarop ze weg vlogen werd dan de toekomst voorspeld. Zeg niet te gauw: "Wat is dat primitief, zo bijgelovig zijn we vandaag de dag niet meer". Zou dat zo zijn? Wat te denken van Jomanda met haar ingestraalde water? In de Hema in Amsterdam zit in de zomer een paar maanden een Indiër bij de ingang. Hij heeft een vogelkooi. Als iemand de toekomst wil weten tikt hij tegen die kooi en aan de manier waarop die vogel zich dan gedraagt zou je toekomst te voorspellen zijn. Te allen tijde wil de wereld bedrogen zijn. In de bijbel wordt niet ontkend dat er mensen zijn met de macht om in de toekomst te kijken. De bijbel vertelt ook over de tovenares in Endor, die aan Saul haarfijn voorspelde dat hij de volgende dag zou sterven, en het kwam uit. Maar de Bijbel verbiedt het ons om ons daarmee bezig te houden. Zou het werkelijk zo fijn zijn als je de toekomst wist? Als je precies zou weten hoe oud je wordt? Zou deze wetenschap niet alleen maar spanning en angst veroorzaken? Bovendien, de bijbel vertelt ons meer dan genoeg over de toekomst. En wat de Bijbel ons over de toekomst vertelt geeft vreugde en moed. In de eerste plaats heeft Jezus gezegd dat Hij met ons zal zijn al de dagen van ons leven. Er zal voor hen die in Jezus geloven geen dag aanbreken waarin Jezus afwezig zal zijn. In de tweede plaats vertelt de Bijbel ons over de toekomst dat Jezus voor ons bidt. Er zal in de toekomst geen dag aanbreken waarin Jezus niet onze nood aan de Vader voorlegt. In de derde plaats vertelt de Bijbel ons over de toekomst dat God ons om Jezus' wil het eeuwige leven wil schenken. Zijn deze dingen niet het belangrijkste om te weten voor de toekomst? Dan heb je geen vliegen, geen vogeltjes en geen ingestraald water nodig. Gaan we daar toch gebruik van maken dan doen we God te kort. Zo doet ook Ahazia. Elia zegt tegen de knechten van Ahazia: "Is er dan geen God in Israël, dat gij Baäl-Zebub, de god van Ekron, gaat raadplegen?". Dat betekent in de eerste plaats: Ahazia, die God is er ook voor jou. Daar mag jij met de nood van je leven heen. Je draagt toch de naam Ahazia, dat wil zeggen: God houdt vast. Wat zoek je het dan in Ekron. Wij zouden zeggen: ga jij met je gedoopte voorhoofd de hulp van een afgod zoeken en doe je daarmee niet de God van Israël te kort. Waar had Ahazia dat geleerd? Van zijn moeder, koningin Izebel, die het land Israël overspoeld heeft met Baälpriesters. Ondertussen stond zijn vader Achab er bij en keek er naar. Voor Ahazia gold: jong geleerd, oud gedaan. Verschrikkelijk hoe mensen zo in afgoderij kunnen terug vallen Maar maken we ons in een andere vorm soms ook niet in dit opzicht schuldig? Als wij in voortdurende angst voor de dood leven: is er dan geen God in Israël Wiens Zoon gezegd heeft: Ik leef en gij zult leven. Als we voortdurend somber zijn: is er dan geen God in Israël waarvan de Bijbel zegt: het hart van degenen die de Here zoeken verblijde zich. Als wij voortdurend in wanhoop zijn over onze zonden en schuld: is er dan geen God in Israël waarvan de Bijbel zegt dat Hij gaarne vergevende is en van grote goedertierenheid voor allen die Hem aanroepen. Als wij in voortdurende moedeloosheid zijn: is er dan geen God in Israël die gezegd heeft: werp al uw zorgen op Mij want Ik zorg voor u. Er is een God in Israël en bij de doop is op uw voorhoofd geschreven dat de Vader u tot Zijn kind wil aannemen, dat de Zoon u wil wassen en reinigen van alle ongerechtigheid en dat de Heilige Geest in uw hart wil wonen. Dat betekent dat God ons leven helemaal voor Zijn rekening wil nemen. Hij brengt al ons heil tot stand. Daar is maar één gebed voor nodig. Voor eeuwig is Hij dan onze God.
Waarom zou ik naar de kerk gaan? Om rust te vinden. Een tweede reden die professor Van Ruler aanhaalt om naar de kerk te gaan is: om rust te vinden. Dat is een merkwaardige tegenstelling tot vroeger. Toen ging men vaak naar de kerk, niet om tot rust te komen, maar om de verveling te verdrijven. Er was nog geen radio of televisie. Er was vaak in de wijde omgeving niets te beleven. In het leven van alledag was elke dag hetzelfde. Daarom ging men maar naar de kerk, daar gebeurde tenminste iets. Tegenwoordig is het eerder omgekeerd. Het leven is vol van indrukken en hektiek. Veel mensen voelen een constante druk van dingen die moeten. Het leven is jachtig. En juist op die zondagmorgen, in de kerk, krijg je de gelegenheid om tot rust te komen. Om stil te staan bij wat in het leven werkelijk belangrijk is en wat niet.
Rust heeft een mens nodig vanwege de wereld om hem heen en vanwege wat er in een mens zelf leeft. De wereld om ons heen heeft chaotische trekken. Er zijn oorlogen, natuurrampen, leed in allerlei vormen en maten. Waar gaat het heen met deze wereld? Dat is een veel gestelde vraag. Een vraag waarachter bezorgdheid schuil gaat. Het leven op aarde is gevaarlijk. Er kan je als mens heel wat overkomen. Wie heeft de wereld in zijn hand? Wie kan er echt wat aan doen? In de kerk kun je er rust bij vinden dat de wereld Gods schepping is. Dat Hij niet loslaat wat Zijn hand begon. En je kunt in de voorbede de hele wereld aan Hem opdragen. Laat een gemeente zich daarom niet ten doel stellen, om voortdurend mensen wakker te schudden door op alle wereldproblemen te wijzen, en mensen telkens de opdracht geven om die problemen op te lossen. Dan komt een mens nooit tot rust. Rust ligt er in de verkondiging: “Ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding van de wereld”.
Naast rust van de wereld en haar problemen kun je ook tot rust komen over de dingen die er in jezelf spelen. Je geweten is een constante stem in jezelf. Niet altijd even makkelijk om naar te luisteren. Schuld dringt zich op in het leven. En het leven heeft plezierige en minder plezierige kanten. Je wordt ouder, je sterft een keer. Het leven heeft zijn zorgen, sommige zorgen heb je je leven lang. Daarnaast heb je als mens zo je vragen over wie God is. Het oerbeeld van een mens is wel Adam, die wegkroop toen God naar hem vroeg. Want als je met God te maken krijgt, dan wordt je ook geconfronteerd met zonde en schuld. Kennis van God en kennis van jezelf gaan hand in hand. In de kerk kom je tot rust over deze vragen. God wordt er als Vader aangeroepen, en de verkondiging van de vergeving van de zonden staat er centraal. Daarbij ademt een mens op. Hij komt tot rust. Hij kan zich toevertrouwen aan God, Die heel het leven in handen houdt. En je mag er zijn, bij Hem en voor Hem.
Hoe komt die rust tot je? Door allerlei dingen. Je kunt tot rust komen door een eeuwenoud gebouw, waar generatie na generatie mensen hun heil bij God hebben gezocht. Je komt tot rust in de gemeente, de gemeenschap om je heen. Je bent niet de enige die het bij God zoekt. Wie naar de kerk gaat bewijst zijn broeder en zuster in de gemeente een dienst. Je neemt elkaar mee naar de verkondiging van het heil. Je komt tot rust bij een vaste liturgie, die je kent, waarmee je vertrouwd bent, en die een rustpunt wordt in het leven. Je vindt rust bij de Goede Herder, Die Zijn schapen brengt bij grazige weiden en verkwikt met voedsel. Je komt tot rust door de werking van de Geest. Hij brengt tot een vrede die het verstand te boven gaat. Zonder dit wekelijks rustpunt kan het leven een slijtageslag worden. In de kerk kom je tot rust met de wereld, met jezelf, met God. Daarom is het goed om naar de kerk te gaan.
Tot slot
Tot slot een gedicht van
Nederlands meest gelezen dichteres, Nel Benschop, getiteld “Ontmoeting”. Er is een vreugde, die te groot voor woorden Een uitweg vindt in woordenloos gebed; Een stroom van dank, die buiten alle boorden Mijn levensakker onder water zet. Er is een rust, die niemand kan verstoren, En een geloof dat mij geen mens ontneemt, De zekerheid, dat ik bij U mag horen, Dat niets ter wereld mij van U vervreemdt. Er is een haven, waar ik in kan landen, Een schuilplaats, waar ik voor de stormen vlucht, Een havenlicht, dat altijd hel blijft branden, Een ster, die schittert aan een zwarte lucht. Want Gij staat op elk kruispunt van mijn leven, Gij kent mijn zorgen, vóór ik ze U zeg; Ik weet mij door uw engelen omgeven, En kom U tegen, Heer, op elke weg.
F. Heikoop
Oktober 2005 Waarom zou ik naar de kerk gaan? Dat is een vraag die nogal eens gesteld wordt. Nogal eens door kinderen aan hun ouders. En het is een vraag die velen zichzelf stellen. Het is goed om die vraag niet iedere week te stellen. Het is prima als kerkgang iets van een gewoonte krijgt. Iets wat je met regelmaat, trouw doet. Zo ging ook Jezus ‘naar gewoonte’ naar de synagoge. Niet naar de kerk gaan is ook gauw een vaste gewoonte. Ergens komt er een keer een breuk in de trouw van de kerkgang, en dan wordt het een gewoonte om niet te gaan. Zelfs als af en toe de behoefte gevoeld wordt om ‘er weer eens wat aan te doen’. Dan blijkt er ineens een hoge drempel te zijn om weer naar de kerk te gaan. Wie alleen gaat als hij er behoefte aan heeft, zal er snel achter komen dat er maar weinig mensen zijn die iedere zondagochtend behoefte hebben om naar de kerk te gaan. Die behoefte is er vaak niet, soms wel eens maandenlang. En dan kan die vraag naar boven komen: waarom zou ik naar de kerk gaan? Haast iedere kerkganger zal die vraag zichzelf weleens gesteld hebben. Deze vraag is ook de titel van een boek dat A.A. van Ruler geschreven heeft. Hij was predikant, onder andere in de Diependaalse Kerk te Hilversum, en werd later hoogleraar in Utrecht. Van Ruler geeft op die vraag naar het waarom van de kerkgang 21 antwoorden. Het zijn stuk voor stuk redenen om naar de kerk te gaan, aansporingen om dat gebruik vol te houden. Ik wil de komende afleveringen van de KSSK een aantal antwoorden van Van Ruler samenvatten. Eén reden die Van Ruler noemt is: om God de lof toe te zingen. Dat is iets waartoe de bijbel ons telkens weer oproept. En de kerk geeft ons de gelegenheid om dat te doen. Wie thuisblijft komt niet snel tot de lofzang. Maar in de gemeente doe je het met elkaar. Er zijn mensen die van zingen houden en het vaak doen. Anderen zingen alleen op zondag in de kerk. Want de kerkdienst is een lofprijzing van Gods naam. In de hemel weerklinkt de lofzang rondom Gods troon. Daar wordt gezongen door de engelen en door hen die ons in de gemeente zijn voorgegaan, de triomferende kerk in de hemel. Ook de strijdende kerk op aarde zingt de lof van God. Gods troon staat op de lofzangen van Israël. Hij vindt het heerlijk om geprezen te worden. Je gaat niet alleen naar de kerk om dingen te ontvangen. Dat ook, maar niet alleen. Je gaat tevens om te brengen. Je brengt jezelf, je geeft je dankbaarheid aan God te kennen. Daarom heeft God ons gemaakt. Dat is het doel van ons leven. God heeft deze wereld schitterend gemaakt. De rijkdom aan vormen en kleuren, de variaties en pracht in de natuur. God heeft dat voor ons gemaakt, zodat wij ervan zouden genieten, er blij van zouden worden en Hem zouden danken. De lofzang vindt zijn hoogtepunt in de aanbidding van het Lam, dat voor onze zonden gestorven is. Dat is het allerkostbaarste wat God aan mensen heeft gegeven. Wie cadeautjes geeft en nooit wat terugkrijgt, wordt dat gauw zat. Het is jammer dat er mensen zijn, die in hun leven zoveel goede dingen van God ontvangen, maar nooit de moeite nemen om de Gever ervoor te bedanken. In de lofzang ontvangt God waar Hij recht op heeft. Je gaat naar de kerk om de lof van God te zingen. Dat doe je voor Hem. Maar het heeft ook zijn weerslag op jezelf. “Ik zing mij van mijn zorgen vrij”, zegt een lied. Wie zingt heft vrijwel automatisch zijn hoofd wat omhoog. Zingen geeft ruimte. Paulus en Silas zongen midden in de nacht vanuit de gevangenis de lof van God. Die lofzang doet deuren open. Bij Paulus en Silas heel letterlijk. Soms op een andere manier. “Als je zingt gaat de duivel op de vlucht”, zei Luther. De lofzang richt jezelf op God, dan komen Zijn genade, Zijn trouw en Zijn zorg vanzelf in je gedachten. Ik maak het regelmatig mee dat mensen zo ziek zijn, dat ze nergens meer op reageren, behalve op de liederen die ze in de kerk zo vaak zongen. Dat is soms het laatste wat een mens op deze aarde nog heeft en wat hem nog troost geeft. Reden genoeg dus, om de lofzang van God in de gemeente en in ons leven gaande te houden. Tot slot De psalmberijming waaruit ’s zondags wordt gezongen is de derde berijming, die er in de Hervormde Kerk wordt gebruikt. Hij stamt uit de jaren zestig van de vorige eeuw en wordt de Nieuwe Berijming genoemd. Daarvoor werd er gezongen uit de Oude Berijming uit 1773, die in nog heel wat gemeenten gebruikt wordt. De berijming daarvoor is die van een zekere Petrus Dathenus. Deze berijming is van 1580 tot 1773 gebruikt, in sommige gemeenten nog wel langer. De berijming van Dathenus was geen ijzersterke. De bedoeling was goed, maar Dathenus was geen getalenteerd dichter. In zijn tijd waren er twee berijmingen, die van Dathenus, en een andere van Marnix van St. Aldegonde, die ook het Wilhelmus gedicht heeft. De berijming van Marnix was fraaier dan die van Dathenus. Bovendien vertaalde Marnix uit het Hebreeuws en Dathenus uit een Franse berijming. Toch heeft de kerk voor de berijming van Dathenus gekozen omdat God daarin met ‘Gij’ werd aangesproken. Marnix sprak als Zuid-Nederlander God aan met ‘du’. Dat ging er in Noord-Nederland moeilijk in. Men vond het daar passender om God met ‘Gij’ aan te spreken. Vandaar dat wij nu nog steeds ‘Gij’ of ‘U’ tegen God zeggen. Hieronder volgt de berijming van psalm 23 in de vertaling van Marnix van St. Aldegonde:
Een Psalmliedt Davids. 1. De Heer is self myn Herder, die my hoedet; My ontbreeckt niet, ick wordt van hem gevoedet. 2. Hy legert my, op schoon begraesde weyden. End sal my voorts aent stille water leyden. 3. Hy stelt myn siel gerust; end uyt genaden, Om syns naems wil voert my op rechte paden. 4. Dies vreesd' ick niet, al moest ick daer beneden Int doncker dal van sdoodes schaedwe treden: Want du by my bist altoos Heer genadich. Dyn raed end staf vertroosten mij gestadich 5. Du salst voir my de tafelreede houwen. Vast onder d'oog, van dien die my benouwen. Du sals my thooft met goede salf begieten, End mynen kroes vol drancks doen overvlieten. 6. Het gae soot wil: my sal altoos aencleven Genaed' end gunst, so lang als ick sal leven: End tlustich huys des Heeren hoog gepresen Sal eewelijck, mijn vaste woonstadt wesen.
F. Heikoop
September 2005
Meditatie "Wij zullen de Here dienen" (Jozua 24. 15b). Jozua heeft als aanvoerder Israël in het Beloofde Land, Kanaän, gebracht. Het volk mag daar in vrede wonen. Natuurlijk woonden er voor die tijd ook al mensen in het land. Die hadden zo hun eigen godsdienst. Hun god was Baäl, de god van het leven en de levenskracht. In feite was het een zelfbedachte god. En eigenlijk aanbad men in Baäl zijn eigen leven met al zijn mogelijkheden. Veel van die Kanaänieten bleven in het land wonen te midden van de Israëlieten. Wat zullen de Israeliëten doen? De Baälsgodsdienst overnemen? Met al die prachtige feesten? In het oude Oosten heerste de gedachte dat goden plaatsgebonden waren. Ging je in een ander land wonen dan ging je de goden van dat land dienen. En die Baälsgodsdienst was zeer aantrekkelijk. Je kon onbeperkt wijn drinken en je vermaken met vrouwen. Die werden in de tempels als prostituees aangeboden. Dat was toch het rijke volle leven met al zijn genietingen? Jozua is oud geworden en hij ziet de gevaren. Als profeet kijkt hij verder dan zijn neus lang is. Al dat religieuze vermaak is niets anders dan jezelf dienen. Het ontwricht het huwelijk, vernielt je gezondheid en verwoest op den duur de samenleving. Daarom roept Jozua het volk voor een laatste keer bij elkaar. En dan houdt hij een afscheidsrede. Allereerst gaat hij de geschiedenis na. Als je die niet kent begrijp je het heden niet. Hij vertelt de Israëlieten dat God hun dit mooie land gegeven had. Zij hebben het niet door eigen kracht veroverd. De sleutelstad Jericho, de toegangspoort tot het Beloofde Land, viel omdat de muren braken op het gejuich van de Israëlieten. Zonder dat er gevochten werd, ontvingen ze de stad uit Gods hand. En was het God niet Die hen door de woestijn geleid en hen te eten en te drinken had gegeven? Jozua benadrukt daarmee dat hij gelooft dat heel het leven van Israël door de God van Abraham, Izak en Jakob geschonken is. Dat vraagt wel om een antwoord. Daarom stelt Jozua indringend de vraag aan het volk: "Kies nu heden wie gij dienen zult: de Baäls of de Here God, de Schepper van hemel en aarde". Anders gezegd: kiest u de god en de levenswijze die u zelf bedacht hebt, of de God die Zich bekend gemaakt heeft als de oorsprong en drager van al het leven. Er is nog een verschil tussen Baäl en de Here God. Aan Baäl moet je geven. Om hem te dienen moet je hem je leven en je toekomst schenken. Maar de Here God is de gevende God. Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zou gaan maar het eeuwige leven zou hebben. En deze Jezus gaf uiteindelijk zelfs Zijn leven aan het kruis van Golgotha. De vraag van Jozua zou je dus ook zo kunnen stellen: "Kies nu heden wie gij dienen zult". De Baäl, waarbij je niets overhoudt. Of de Here God, Die door Jezus Christus de eeuwige zaligheid schenkt. En zeg niet dat dit een oude keus is uit lang vervlogen tijden. Steeds meer wordt in Nederland de Baäl gediend met al zijn geneugten. Maar ook nu nog wordt ieder mens die met dit bijbelwoord in aanraking komt voor de keus gesteld. En niet kiezen is ook een keus.
Ongewenst zwanger Ongewenst zwanger zijn, dat kan soms ineens als een groot probleem op iemand afkomen. Het zijn uitsluitend meisjes en vrouwen, die daarmee geconfronteerd worden, en er dan vaak ineens heel alleen voor staan. Een abortus ondergaan is dan vaak een van de eerste gedachten die naar boven komen. En soms legt de omgeving ook een druk op iemand, om op die manier maar zo snel mogelijk van het probleem af te zijn. Toch zijn er ook andere wegen. Een stichting die zich daarvoor inzet is de Vereniging Bescherming Ongeboren Kind (VBOK, Postbus 559 te Amersfoort, 033-4605070). Zij probeert het leven vanaf de conceptie te beschermen. Dat wordt vooral gedaan door het bieden van concrete hulp aan iemand die door een zwangerschap in een lastige situatie is terecht gekomen. Die concrete hulp kan zo ver gaan, dat iemand in een gastgezin verblijft om daar een zwangerschap uit te dragen. Er werken bij de VBOK 50 beroepskrachten, en er zijn ruim 1700 vrijwilligers actief in allerlei vormen van begeleiding. Er is een hulplijn, die 24 uur per dag bereikbaar is (0900-2021088). En er wordt ook aan voorlichting gedaan op scholen en bij verenigingen. Ook vrouwen die een abortus hebben ondergaan, en het daar moeilijk mee gekregen hebben, wordt hulp geboden. Dagboek Hieronder volgt het verhaal van iemand, die midden in de spanningen van haar relatie ineens zwanger bleek te zijn. Haar vriend wil geen verantwoordelijkheid voor het kind. Alles werd zwart om haar heen en ze zag geen uitweg meer. Maar Nada, die dit is overkomen, heeft nu een schitterende zoon. Ze schreef een dagboek, dat hier ingekort volgt: “Een dag nadat ik besloten had om onder ogen te zien dat mijn relatie zijn beste tijd gehad had, ontdekte ik dat ik zwanger was. Ik was er zelf heel blij mee, want de ruzies waren toch steeds bijgelegd. Maar mijn vriend, toen al bijna-ex, reageerde echter niet enthousiast. Hij had al een kind uit een eerdere relatie, wat in onze relatie voor veel spanningen zorgde en hij wilde dat niet nog een keer meemaken. Toch werd hij in de eerste maanden van mijn zwangerschap een enthousiaste aanstaande vader. Omslag Ik was ongeveer 10 weken zwanger toen hij ineens omsloeg en me min of meer opdroeg een abortus te plegen. Ik vermoedde dat er meer speelde dan alleen ‘geen kind willen’. Na wat aandringen van mijn kant kwam het hoge woord eruit: hij bleek me al vanaf dat ik hem kende te hebben voorgelogen en er een compleet dubbelleven op na te houden. Zo veranderde de man die ik van haver tot gort dacht te kennen, in een monster. Als ik geen abortus zou doen, zou hij me een abortus schoppen, zo verklaarde hij. Daar zat ik dan, zwanger en radeloos. Mijn vriendinnen spoorden mij aan abortus te plegen. Mijn ouders, die mijn vriendje al niet zagen zitten, vonden het ook een schande dat hun dochter straks een alleenstaande moeder zou worden. Hoe moest ik ooit aan dit kind uitleggen, dat het ongewenst was door iedereen, behalve door mij? Abortus of niet Na lang beraad besloot ik toch een abortus te overwegen. Na een paar mislukte afspraken met de abortuskliniek, besloot ik de hulplijn van de VBOK te bellen. Het gesprek op de VBOK was goed, maar het enige dat me bijbleef is dat de maatschappelijk werker van de VBOK op een gegeven moment zei: “Natuurlijk had je het graag goed en anders willen doen, maar de realiteit is nu eenmaal dat je nu zwanger bent”. Toen besloot ik ter plekke om er toch voor te gaan. Ik had het kind uit liefde gemaakt, ik zou het ook uit liefde opvoeden. Mijn zwangerschap werd een hel. Mijn ex stalkte en bedreigde mij en mijn dierbaren. Ook ging hij de advocaat, die ik in de arm genomen had, te lijf. Ik had me nooit kunnen bedenken dat ik hoogzwanger op het politiebureau zou zitten om aangifte te doen tegen de man met wie ik een jaar geleden nog had willen trouwen, maar het gebeurde. Ten slotte stortte ik in mijn vijfde maand in. Van een vrolijke gezellige meid veranderde ik in een ruziemakende zwangere heks. Een van de dingen die mij door mijn zwangerschap heen hebben geholpen, waren de fijne gesprekken met een vrijwilligster van de VBOK. Zoon! In het voorjaar van 2004 werd mijn zoon geboren. De zoon waar ik zo voor heb moeten vechten, die mijn geordende yuppenleventje zo vreselijk in de war schopte en die ervoor zorgde, dat ik zag met wat voor man ik een relatie had gehad. De zoon die me liet zien dat ik sterker bleek te zijn dan ik ooit gedacht had, en die ervoor zorgde dat ik op eigen benen leerde te staan. De zoon die tijdens alle stormen in mijn zwangerschap zo goed groeide, me blij maakte met zijn schopjes en capriolen, die ’s nachts in mijn buik de hik had, met wie ik gesprekken voerde als ik het helemaal niet meer zag zitten. De zoon die in het echt nog vele malen leuker en mooier en geweldiger bleek te zijn dan ik me tijdens mijn zwangerschap had kunnen voorstellen. En ineens drong het tot me door dat ik hem niet gehad zou hebben, dat ik hem niet eens gekend zou hebben, als ik zijn vader zijn zin had gegeven. Ik moest er voor het eerst sinds zijn geboorte weer van huilen, maar ditmaal van blijdschap. Omdat ik volgehouden had, toen het moeilijk was, en doordoor nu zo rijkelijk beloond was. Geschenk Ooit las ik in een boek de uitspraak:’When life gives you lemons, you better learn how to make lemonade (Als het leven je citroenen geeft, probeer dan te leren om limonade te maken)’. Pas in mijn zwangerschap heb ik ervaren wat daarmee bedoeld wordt, maar ik ben blij dat ik die uitdaging ben aangegaan. Gelukkig zijn alle clichés die je hoort over bevallen en moeder worden waar. Het is echt zo dat je voor je kind bergen kunt verzetten, het is echt waar dat je op het moment dat je je kind in de armen houdt eigenlijk alle pijn vergeten bent. Ik kan me zelfs nauwelijks herinneren hoe mijn leven was voordat hij er was, want moeder zijn kleurt alles wat ik doe. Er zijn niet genoeg woorden te bedenken om te kunnen beschrijven wat mijn zoon voor mij betekent en al betekend heeft. Hij is werkelijk het mooiste geschenk dat ik ooit heb mogen krijgen”.
Tot slot Tot slot een gedicht van A.F. Troost, “Christus levensbrood”:
Christus, levensbrood, manna ons gegeven, in de hongersnood zult Gij met ons zijn, bron in de woestijn, water, waarlijk leven!
Gij zijt ons ten licht; volk, reis vrolijk verder! Hij, de deur, gaat dicht als de dag zich neigt, als het duister dreigt – Hij is onze herder.
Heer, Gij zegt: Ik ben opstanding en leven. Ik, Ik ben de weg, waarheid, levensgroot – leugens lopen dood, Ik leid u ten leven.
Gij zijt onze stam, wij de kleine ranken die de Landsman nam om in U te zijn; alle goede wijn is aan U te danken.
Heer, Gij zijt ons brood, herder, nu en later, deur tegen de dood, wijnstok, ware weg, licht in heg en steg, levenwekkend water!
F.A.J. Heikoop
Juli / Augustus 2005
"Waarlijk, de helft was mij niet aangezegd" (1 Koningen 10: 7) De koningin van Seba, het huidige Jemen, bezoekt Salomo. Ze is gekomen omdat ze van deze fabelachtig rijke vorst heeft gehoord. Misschien is ze ook wel gekomen omdat Salomo een vloot bouwde vlak bij haar gebied. Ze ziet de sprookjesachtige rijkdom. Het zilver telde in die tijd niet mee, zoveel goud had Salomo. En dan die hovelingen in hun prachtige dracht en het ceremonieel waaraan ze onderworpen waren. Oosterlingen hielden van raadsels opgeven, zoals ook Simson op zijn bruiloft deed. Maar Salomo kon alle raadsels van de koningin oplossen. En dan die geweldige geschenken die over en weer uitgewisseld werden. Het lijkt wel een verhaal uit de sprookjes van duizend en een nacht. Als je dit verhaal leest kan je de vraag bekruipen: is het niet een beetje protserig en poenerig? De Heilige Geest is toch ook de Geest van de matigheid. Van matigheid is hier geen sprake. Wat wil zo’n verhaal nu zeggen?
Je gaat anders tegen het verhaal aankijken als je bedenkt hoe de Joden tegen het boek Koningen aankeken. De volgorde van de bijbelboeken in onze bijbel is chronologisch. Vooraan staat wat eerst gebeurde en achteraan wat het laatst is gebeurd. Daardoor ben je geneigd het boek Koningen in de eerste plaats als een beschrijving van Israëls geschiedenis te lezen. Maar de volgorde in de Hebreeuwse bijbel is anders. De Hebreeuwse bijbel is verdeeld in drie onderdelen .In de eerste plaats de vijf boeken van Mozes, voor de rabbi's de kern van hun bijbel. Dan volgt de tweede groep geschriften, namelijk die van de profeten en dan volgt de derde groep, die van de overige geschriften. Nu valt het op dat de boeken Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuel en 1 en 2 Koningen werden beschouwd als de vroege profetische boeken en daarna volgden Jesaja tot en met Maleachi, de latere profeten. Profeten zijn degenen die het koninkrijk van God nu en in de toekomst verkondigen. Dit verhaal verwijst naar het koninkrijk van God. Het wil ons vertellen hoe rijk en uitbundig het er in het koninkrijk van God aan toe gaat. In het Nieuwe Testament wordt door de Here Jezus gezegd dat Hij de meerdere van Salomo is. “De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier” (Matth. 12. 42). De koningin van Seba zegt dat Salomo veel rijker is dan ze had gedacht en gehoord; en zie, de helft is mij nog niet aangezegd .Zo gaat het met de dingen van het koninkrijk van God ook. Onze zondigheid? De helft is ons nog niet aangezegd. We weten niet half wat zich in de diepere lagen van het onderbewustzijn roert en beweegt. We zijn veel zondiger dan we denken. We zijn altijd te optimistisch over onszelf. De genade? We weten niet half hoe groot Gods genade over ons is. We zijn altijd bang dat er van ons altijd nog iets bij moet en dat we iets moeten doen om die genade waard te zijn. Terwijl Gods ontferming zo ontzaglijk groot is. Zo ver het oosten is van het westen. Iemand heeft eens gezegd: “Gods genade is zo overstelpend groot dat we niets kunnen doen om die groter te maken en niets kunnen doen om die genade te laten verminderen”. We weten nog maar de helft van de dingen. En zo zei professor Van Ruler ooit: “Als we werkelijk de diepte van onze zonden zouden kunnen zien, dan zouden we in elkaar schrompelen van ellende Als we werkelijk wisten hoe groot Gods genade is dan zouden we als een ballon uit elkaar barsten”. Ook voor het eeuwige leven geldt het profetische woord: de helft is ons niet aangezegd. De heerlijkheid van het koninkrijk van God is zo groot, dat er geen woorden voor te vinden zijn. “Wat geen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.”(1 Kor. 2. 9). Als Johannes erover schrijft zegt hij alleen maar wat er niet is: geen dood, geen tranen, geen rouw, geen gekerm, geen moeite (Openbaring 21). En die genade mogen we zoeken, die wordt ons aangeboden. We mogen geloven in de Here Jezus Christus en de koningin van Seba zal ons niet veroordelen. “O blij voortzicht dat mij streelt, ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw goddlijk beeld.” (Psalm 17: 8).
Tot slot Tot slot een gedicht met de titel “Zijn rijk zal geen einde hebben”:
Dit is de troost, die ligt verborgen,
Eens zal dat wonder openbreken.
Wie hier de rijkdom mag ontvangen,
F.A.J. Heikoop
Juni 2005 Alle geloven één pot nat? Onder deze titel las ik een artikel waarin een aantal vragen gesteld worden aan de voor sommigen al bij voorbaat vaststaande conclusie dat alle godsdiensten op hetzelfde neerkomen. Hierbij de tekst van dat artikel:
“In onze tijd horen we nog al eens zeggen dat alle godsdiensten op hetzelfde neerkomen. Voor de van-buiten-af-kijkers aanbidden een Jood, islamiet, boeddhist en een christen dezelfde God. Synagoge, moskee, tempel en kerk zijn dan wel verschillende gebouwen, maar in wezen gaat het in al die gebouwen om de dienst aan de ene God. Aanhangers van de verschillende godsdiensten mogen dan hun eigen heilige boeken, gebedsplaatsen en gewoonten hebben, maar dat zijn maar minimale verschillen.
Waar komt deze gedachtegang vandaan? De opvatting dat wij allemaal dezelfde God aanbidden is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Ten eerste heeft het te maken met onze kleiner wordende wereld. Via de media komen vele culturen en geloven onze huiskamers binnen. Wat verbeeldt een christen zich dan wel als hij meent de waarheid in pacht te hebben? Ten tweede hebben gelovigen veel last van 'oud zeer', vanwege godsdienstoorlogen en kerkelijke splitsingen. Te vuur en te zwaard werden ketters en anders-gelovigen bestreden. Wie vandaag de absolute waarheid van zijn geloof uitdraagt, wordt daarom met argwaan bekeken. Ten derde kiest de mondige, verlichte mens zelf zijn eigen levensbeschouwing en de daarbij passende levensstijl, waarop niemand inbreuk mag maken. Geloven op gezag van anderen is uit de tijd. Absolute keuzevrijheid is de laatste waarheid geworden. Tenslotte valt de invloed van het Oosterse denken te onderkennen. Verschillende goden en religies zijn daarin even waar en kunnen naast elkaar bestaan.
Tegengeluid. Ook al hoor je deze geluiden in onze tijd ook bij de van-binnen-uit-kijkers, ik kan daar zelf niet goed mee uit de voeten. Als ik zou beweren dat alle politieke partijen in ons land ten diepste hetzelfde zeggen, of dat alle wegen uiteindelijk allemaal naar Rome leiden, dan kan iedereen vertellen dat ik niet goed wijs ben. Maar, waarom komen we dan wel met eenzelfde (kromme) bewering als het over de verschillende godsdiensten gaat? Het klinkt een gelukkig getrouwde man toch ook wat onbegrijpelijk in de oren als hij een cynische vrijgezel de opmerking hoort maken: 'Als het erop aankomt zijn alle vrouwen gelijk'. Die man weet wel beter, want hij kent zijn eigen vrouw als de enige 'echte'. Ten tweede komt het mij voor dat een bewering als 'alle godsdiensten zijn in wezen gelijk' vaak uit onkunde wordt gemaakt. Mensen die dit beweren blijken niet veel te weten van de verschillende wijzen van geloven. Het lijkt wel vriendelijk en reuze tolerant om te zeggen: we geloven allemaal in dezelfde God, maar in feite is het een bewijs van onverschilligheid en onwetendheid. Is er een gemeenschappelijke geloofskern? Is het nou werkelijk zo dat het in alle godsdiensten ten diepste om dezelfde god gaat? Maar een boeddhist belijdt helemaal geen god en een hindoeïst vereert honderden goden. In de ene godsdienst is god een kosrnische kracht of een energiestroom die in alle dingen zit. In een ander geloof is god een persoonlijke god, met wie de mens in relatie kan leven. Kort samengevat kunnen we zeggen dat het antwoord op de vraag of alle godsdiensten eenzelfde kern hebben luidt: nee.
Kern van het Christelijk geloof. Misschien wordt het tijd om als christen weer te durven zeggen: wat is de kern van mijn geloof? Als je dat helder hebt, kun je vanuit die kern en vanuit een diep respect voor ieder ander schepsel van God, andere vormen van geloven bevragen. Voor christenen bevindt het hart van het geloof zich in de persoon van Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God. De blijde boodschap is dat Jezus in deze wereld is gekomen als Redder en Verlosser om de machten van zonde en dood te overwinnen. Hij zei: 'ik ben weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door mij' (Joh. 14: 6). Wie vanuit deze kern naar de andere godsdiensten kijkt, zal merken dat in dit opzicht het christelijk geloof uniek is. Het draait om een Persoon, Jezus Christus, die ons mensen opzoekt daar waar wij zijn. In een wereld van zonde en dood is Hij gekomen om ons vandaar naar het Vaderhuis te brengen. Veel andere godsdiensten kennen een omgekeerde heilsweg. Niet 'god' komt naar de mensen toe, maar mensen dienen tot 'god' op te klimmen. Het achtvoudige pad van het boeddhisme, de hindoeleer van het karma, de vijf plichten van de Islam - zij alle zijn gebaseerd op menselijke prestaties. Als je je aan de voorschriften houdt, dan kom je als mens uiteindelijk waar ie wezen moet: in het Nirvana, in het paradijs of wordt je bevrijdt uit het rad van wedergeboorten. Alleen het christendom waagt het met Gods onvoorwaardelijke liefde in zijn Zoon Jezus Christus: 'wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad' (I Joh. 4: 19). Wat dient onze houding dan te zijn? Als wij zeggen dat het christelijk geloof uniek is, hoe stellen wij ons dan op tegenover de godsdiensten rondom ons? De bijbel leert dat de God, die wij op unieke wijze leren kennen in de ontmoeting met Jezus Christus, de Schepper is van de gehele wereld en de Heer van alle volken. Hij trekt zijn spoor door alle culturen en volken heen opdat 'zij God zouden zoeken, of zij Hem tastende vinden mochten' (Hand. 17: 27). Dat betekent echter niet dat we nu de verschillen die er tussen de godsdiensten zijn zouden moeten verdoezelen of verzwijgen. In een oprecht gesprek tussen mensen van verschillende religies weten beiden waar hun eigen geloof voor staat en wat het voor hen zo waardevol maakt. Als christen hebben we de roeping in liefde van ons geloof te getuigen.
Het geheim van de roos. De manier waarop wij dat zouden kunnen doen, doet mij denken aan het volgende verhaal. Het speelt in de tijd dat Mahatma Gandhi van India nog leefde. Op een dag kwamen er eens een paar westerse zendelingen bij hem op bezoek om een advies te vragen. Ze wilden graag weten wat ze volgens hem moesten doen om aan de mensen in India duidelijk te maken wie Jezus Christus is. 'Dan moeten jullie denken aan het geheim van de roos', zei hij. 'Een roos doet helemaal niets, maar verspreidt wel een aantrekkelijke geur. Daarom houdt iedereen van rozen. Dus, mijne heren, zorgen jullie er maar voor dat je zo'n geur verspreidt'. Zo mogen wij vandaag nog de geur van Christus verspreiden (2Kor. 2:15)”.
April 2005 Christus, onze Hoop Onder deze titel verscheen twee weken geleden een getuigend en bemoedigend schrijven. Het is gemaakt door 3 groeperingen in de voormalige Hervormde Kerk, de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond en de Stichting Evangelisch Werkverband. Tot deze groeperingen behoren zo’n 700 Hervormde gemeenten. Tevens was bij de opstelling betrokken het Confessioneel Gereformeerd beraad, waartoe zo’n 200 Gereformeerde Kerken behoren. Er wordt een aantal behartigenswaardige dingen in gezegd, die door collega Van der Wel en mijzelf van harte worden onderschreven:
“Getuigen van de ene Naam, die ons tot redding gegeven is – dát willen wij in onze verwarrende tijd, waarin veel mensen het spoor bijster zijn, de samenleving op drift is, de kerk meer en meer in de marge wordt gedrongen en bijbelse waarheden ontkracht worden. Getuigen van Jezus Christus, onze Here en Heiland. Zijn Naam geeft ook vandaag hoop aan mensen. Hij maakt de verwachting die Zijn Naam wekt, nog steeds waar. Onze christennaam doet helaas al te vaak afbreuk aan het werk van Christus, haalt Zijn hoge Naam naar beneden. Wij belijden onze schuld daarover. Des te meer is onze hoop daarom gevestigd op de Naam boven alle namen, Jezus Christus.
De kerk heeft de tijd nooit mee gehad. Maar vandaag lijken de tegenkrachten van het evangelie wel heel sterk te zijn. In de samenleving groeit de weerstand tegen de waarheid van Gods Woord, onder andere vanwege een pluralistisch denken. Een guur klimaat heerst in ons land: bevolkingsgroepen die tegenover elkaar komen te staan, individualisme, intolerantie. Tegelijk is er de genotscultuur met een leef-maar-raak mentaliteit, die de gemeenschapszin verstoort. Dit alles lijkt elke voedingsbodem voor het evangelie onvruchtbaar te maken. Dat leefklimaat raakt ook ons. Wij staan net zo goed bloot aan de invloed van de geest van de tijd. Toch willen we die tijdgeest weerstaan. Ondanks alles houden we vertrouwen in de vernieuwende kracht van het evangelie, waardoor liefde en saamhorigheid ontstaan. We hebben in Jezus immers een machtige Redder, die Here is en leven geeft. De tijd hebben we tegen, maar we geloven dat we Christus mee hebben. Hij is onze God en Heiland, aan Wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is.
De kerk heeft ook zichzelf niet mee. Verdeeldheid en verscheurdheid verlammen haar in het volgen van haar eerste roeping: getuige te zijn van Jezus Christus in een wereld vol nood. Halfslachtigheid en slappe knieën ondermijnen haar vitaliteit. Rationele en bijbelkritische schema's verhinderen haar de Schrift in haar volle inhoud open te leggen. Zo dreigt de Heilige Geest vleugellam te worden. Zelfgenoegzaamheid en activisme beletten haar in diepe afhankelijkheid te vertrouwen op Hem die gezegd heeft: ‘Zonder Mij kunt U niets doen.’ Wij zijn deel van die kerk, hebben verdriet om haar én weten ons medeschuldig aan de verdeeldheid, de halfslachtigheid, de zelfgenoegzaamheid. Daarom stellen wij onze hoop op Christus alleen. Hij is de Koning van de kerk en het Hoofd van Zijn gemeente. Hij zal niet laten varen het werk van Zijn handen.
De kerk heeft ook ons niet mee. We zijn geboren zonder antenne voor het evangelie. Wij groeien op in een wereld die naar God niet vraagt. Gebeurtenissen die alle vormen van menselijkheid schenden, verbijsteren ons. We zijn daar dagelijks getuige van. Demonische machten die zich manifesteren, bezorgen ons angst. De woestijn rukt op. Toch geven wij de moed niet op en blijven wij onze hoop vestigen op Jezus Christus. Hij heeft op Golgotha alle woestijnleven doorleden. Hij is de weg van vernedering gegaan. Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen. Hij heeft Zijn leven gegeven voor een wereld verloren in schuld. Maar… God heeft Hem opgewekt op de derde dag, de morgen van Pasen, zodat de deur naar het paradijs wagenwijd openstaat. Hij is de levende Christus, die zegt: ‘Ik leef en U zult leven’ (Johannes 14:19). Hij is vol kracht om mensen het leven te verlenen en hen het geloof in het evangelie te schenken. Hij is het Licht der wereld. Hem verwachten wij in de nacht, totdat de volle morgen van Zijn wederkomst aanbreekt.
Wij roepen daarom alle gemeenten die samen de Protestantse Kerk in Nederland vormen, maar ook andere gemeenten en kerken, krachtig en indringend op om volstrekt getrouw te zijn in het belijden van Christus, in het getuigen van deze Here. Hij is de Overwinnaar van dood en hel. Hij is de Verzoener van zonde en schuld. Hij is de Heelmaker van het gebrokene. Hij is de Rechter van hemel en aarde, die het laatste woord heeft in ieder mensenleven. Tot hen die gelovend bij Hem schuilen, zal Hij zeggen: ‘Komt binnen in Mijn Koninkrijk van licht en leven’. Tot hen die Hem ongelovig verwerpen zegt Hij: ‘Gaat weg van Mij in de eeuwige nacht van de dood’. Deze Rechter wil niets liever dan onze Redder zijn. Nog altijd laat Hij elke zondag het evangelie preken en daarin Zijn uitnodiging horen. Nog klopt Hij op de deur van ons hart en wil Hij door Zijn Geest kracht geven om vrijwillig die deur voor Hem open te doen. Hij wil het in ons leven voor het zeggen hebben, ons leiden op Zijn weg en zo de reis van ons leven bepalen. Daarom leggen wij ons leven in Zijn handen, want Hij is de meest liefdevolle Heerser die er bestaat. Hij doet ons, gebonden aan Hem en Zijn Woord, in ware vrijheid leven en inspireert ons tot het gebed voor kerk, land en volk.
Hem willen wij prijzen. Hij is gezonden door God de Vader en in Hem daalde God reddend neer. Hem willen wij dienen, want midden in onze wereld heeft Hij geleefd, in ons door de zonde verloren leven is Hij gekomen. Hem willen wij eren, want Hij is als God en mens onze enige troost in leven en in sterven. Hem willen wij liefhebben, want Hij heeft ons eerst liefgehad. Hem willen wij gehoor geven, want Hij was gehoorzaam tot in de dood. Hem willen wij volgen, want in een wereld die zucht onder haar nood, leidt Hij ons liefdevol voort en brengt ons voor eeuwig thuis.
Hij is Gods liefde in eigen persoon en geeft hoop aan hopelozen. Hij is de Bron van leven die blijft stromen voor mensen die zoeken naar het ware geluk. Hij is vol vergeving en genade voor allen die geen raad weten met hun schuld voor God. Hij doorbreekt onze schijnrust en geeft ons de ware vrede door de verzoening met God. Hij geneest ons van vijandige boosheid en schenkt ons Zijn helende liefde. Hij rechtvaardigt zondaren, zonder hun zonden te rechtvaardigen. Hij geeft hen die geloven vreugde in Zijn vergeving en schenkt hen kracht om het kwaad te ontvluchten. Hij heeft de wereld lief ter verzoening en helpt ons het goede voor haar te zoeken. Hij geeft hoop aan een samenleving die bol staat van schreeuwende armoe en leegheid.
Zonder Hem hebben wij geen been om op te staan, heeft de kerk geen bestaan. Zonder Hem zijn wij opgesloten in het platte vlak van horizontaal leven. Zonder Hem verliezen normen en waarden hun basis. Zonder Hem is er geen werkelijke hoop op een hoopvol bestaan. Zonder Hem zijn wij overgeleverd aan de waan van de dag en de machten van angst en ontreddering. Zonder Hem wordt het leven hard.
In Hem vinden wij kracht om onze hoogmoedige eigenwaan af te leggen, want Hij heeft Zich tot in de diepste diepten vernederd. In Hem ontdekken wij dat God genadig is en Zijn verbond bewaart, want Hij is de Middelaar die als eerste ons opzoekt. In Hem gaat Gods onstuitbare liefde voort, want Zijn plannen brengt Hij ten uitvoer. In Hem houden wij hoop voor de mensen, want Hij heeft macht hen tot Zich te bekeren. In Hem is alles te vinden wat culturen herschept en volkeren doet geloven. In Hem zien wij perspectief voor een aarde die ten prooi lijkt te vallen aan chaos. Chaos in de schepping die zucht en in een cultuur die stuurloos is. Jezus is Overwinnaar, de wereld komt Hem toe. Jezus heeft recht op totale toewijding van allen die Hem belijden. De kerk is geroepen de heerschappij van Christus te laten zegevieren in alle facetten van haar handelen. Zo zal de Heilige Geest wind in de zeilen geven. Jezus geeft als Enige vrede met God. Jezus is als Enige hoeksteen van de kerk en scharnier van elk kerkelijk belijden. Naar Hem zien wij uit, die als Bruidegom bezig is ons te tooien als bruid. Hem zij de glorie met de Vader en de Geest, drie-enig God tot in eeuwigheid. De besturen van het Confessioneel Gereformeerde Beraad, de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond en de Stichting Evangelisch Werkverband”.
Tot slot Tot slot een gedicht van Guillaume van der Graft, pseudoniem van de dichter Willem Barnard, getiteld: “Pinksteren”:
Die licht geeft aan het oog, het oor gehoorzaamheid, neerdalend van omhoog de voeten voorwaarts leidt;
die adem aan de borst, taal aan de lippen leent, die water uit de rots en vuur slaat uit de steen;
die vliegt gelijk de wind, wie weet waarheen hij gaat, en door een wiegekind de vijand wederstaat;
die als een stormvlaag woedt en als een vlam verzengt, die als een vogel broedt, de kiem tot leven brengt;
die God het spoor bereidt, der mensen laatste hoop: de Tegenwoordigheid in Avondmaal en Doop,
die Christus heeft gekroond en dreef in de woestijn om waar de ongeest woont één en al geest te zijn
die aan het offer kracht, de liefde leven geeft, die Jezus in de nacht overgegeven heeft;
die Adam in de hof heeft Eva toevertrouwd, die geeft aan het geloof dat het de Heer aanschouwt;
het is en altijd weer zal zijn dezelfde Geest die leeft en die regeert: God op het Pinksterfeest!
F.A.J. Heikoop
Maart 2005 Meditatie Toen zei Jezus tot hen: "Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe....." Matth. 26. 38
Jezus heeft geestelijk en lichamelijk geleden. Dieptepunten van het lichamelijke lijden zijn het verhoor en de slagen voor de hogepriester, de geseling en de kruisiging. De dieptepunten van het geestelijk lijden zijn de hoon en het sarcasme, het verraad van Petrus, en het gevoel van Godverlatenheid. Die Godverlatenheid was er aan het kruis, maar het begon al eerder in Getsemane. Daar begon Hij bedroefd en zeer beangst te worden. Lichamelijk lijden kan vreselijk zijn. Ik praat nu over dingen die ik zelf niet meegemaakt heb, maar ik heb soms aan ziekbedden gestaan waar het lijden heel erg was. Gelukkig kan vandaag de dag dat lijden steeds meer worden verzacht met medicijnen. Er is zelfs een aparte tak in de medische wetenschap, die uitsluitend met pijnbestrijding bezig is. Geestelijke pijn echter kan toch nog dieper gaan dan lichamelijk lijden. De grote Russische schrijver Dostojewski, die ook een overtuigd christen was en een groot inzicht in deze zaken had, heeft hierover het een en ander geschreven. Hij spreekt dan uit eigen ervaring. Dostojewski werd indertijd door het regime van de tsaren ter dood veroordeeld. Hij hoorde deze mededeling 's avonds aan. Het vonnis zou worden voltrokken bij het aanbreken van de dag. Hij schrijft dat lichamelijk lijden verschrikkelijk kan zijn, onmenselijk en niet te dragen. Maar op een gegeven ogenblik weigert het lichaam verder om pijn te dragen. Je raakt dan bewusteloos of je komt in een shock. Geestelijk lijden kent deze ultieme rem niet. In de nacht voor zijn terechtstelling zou hij graag bewusteloos zijn geweest, maar het geestelijk lijden bleef doorgaan. Overigens, hij kreeg gratie en werd "slechts" naar Siberië verbannen. In Getsemane komt de Here Jezus in zwaar geestelijk lijden. Niemand raakt Hem met een vinger aan en toch valt het bloed in grote druppels van Zijn aangezicht ter aarde. Want het lichaam reageert op dit lijden. Dat zal iedereen wel eens ondervonden hebben. Je kunt hoofdpijn krijgen, verhoogde ademhaling, hoge bloeddruk, en dergelijke. Jezus laat acht discipelen achter en neemt er drie mee: Petrus, Jakobus en Johannes. Maar ook die laat Hij achter. Hij gaat een steenworp verder. Het was donker in de hof van Gethsemane onder al die vijgebomen. Ze zagen niets meer, maar zij hoorden Jezus huilen. De schrijver van de brief aan de Hebreeën schrijft in hoofdstuk 5 dat Jezus sterk geroepen en tranen geofferd heeft. Jezus valt op de aarde. De Farizeeër bad staande in de tempel. Maar als het Lam Gods, beladen met de zonden van de wereld, hier voor Gods aangezicht komt, valt Hij op de aarde. In het geloof mogen wij weten dat Jezus dat doet in onze plaats, zodat wij niet meer voor God op de aarde hoeven te vallen maar om Christus wil staande blijven. Jezus lijdt alleen en in de dikke duisternis doorlijdt Hij de Godverlatenheid. Dat hadden wij verdiend door onze zondige en duistere praktijken. Jezus draagt het in onze plaats en wij hoeven niet meer alleen te sterven. Jezus zal dan bij ons zijn. Op rouwkaarten staat vaak "in Jezus ontslapen". Psalm 23 zegt: "Al ga ik ook in een dal van schaduw van de dood, ik zal geen kwaad vrezen, want Uw stok en Uw staf die vertroosten mij". Jezus werd bedroefd en zeer beangst. In onze plaats. Wij als mensen zijn angstig voor het onbekende. Wat gebeurt er met je lichaam, wat gebeurt er met het sterven, wat gebeurt er in het laatste oordeel? En nu zegt dit Evangelie dat Jezus onze droefheid en angst voor ons gedragen heeft. Daarom wordt er in de Bijbel zo ontzettend vaak gezegd: "Wees niet bevreesd". En daarom vermaant de apostel Petrus: "Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u". Zo mogen wij onze droefheid en angsten bij de Heiland brengen. Wij mogen geloven dat Hij het voor ons gedragen heeft. Als we dit voor honderd procent zouden kunnen geloven, zouden we bevrijd zijn van alle angst en droefheid. Er zijn soms van zulke momenten, dat je daar helemaal vol van kunt zijn. Maar vaak moeten we bidden: "Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp". De discipelen kunnen niets bijdragen. Ze vallen in slaap. Lukas, de medicus onder de evangelisten, vertelt erbij dat dat uit droefheid is. De discipelen slapen en de Heiland draagt hun angsten en zorgen. Zo brengt Hij hun heil tot stand. Zoals God Zijn verbond sloot met Abraham, terwijl de vader van alle gelovigen lag te slapen. Zegt niet Psalm 127: "Hij geeft het Zijn beminden in de slaap". Daarom kan David zingen: “Ik kan gaan slapen zonder zorgen, want slapend kom ik bij U thuis. Alleen bij U ben ik geborgen. Gij doet mij rusten tot de morgen en wonen in een veilig huis.”(Psalm 4:3).
Studiekring bijbels Hebreeuws Al verschillende malen hebben gemeenteleden de wens uitgesproken wat nader kennis te maken met de taal, waarin het grootste gedeelte van de bijbel tot ons is gekomen, het Hebreeuws. Vandaar dat het plan is opgevat om bij voldoende belangstelling daar in de komende zomerperiode een aantal avonden mee bezig te gaan. Er wordt gedacht om op een vaste avond in de week een aantal weken achter elkaar samen te komen. Een mogelijkheid zou bijvoorbeeld zijn om 6 maandag- of dinsdagavonden in de periode mei en juni bijeen te komen. Maar dat kan natuurlijk pas echt worden afgesproken als bekend is wanneer geïnteresseerden vrij zijn. Vrijwel het gehele Oude Testament is ons overgeleverd in het Hebreeuws, slechts een enkel deel in het Aramees, een taal die overigens zeer verwant is aan het Hebreeuws. Anders dan vaak wordt gedacht is het bijbels Hebreeuws geen moeilijke taal. Integendeel, om het te leren is het een tamelijk eenvoudige taal, veel minder moeilijk dan bijvoorbeeld het Latijn, of het Grieks, waarin het Nieuwe Testament geschreven is. Wat kunt u op deze 6 avonden verwachten? Het zal duidelijk zijn dat het slechts om een eerste kennismaking kan gaan. Doel is om het Hebreeuwse alfabet te leren, en daarmee de taal dus te kunnen schrijven en uitspreken. Daarnaast zullen we een aantal woorden leren en wat beginselen van de grammatica. Vervolgens is het niet al te moeilijk om enkele eenvoudige zinnen uit de bijbel te lezen. De Psalmen en de profeten behoren tot de moeilijkere gedeelten van de bijbel, maar geschiedkundige boeken, zoals Genesis, Exodus, I en II en Koningen zijn niet zo moeilijk om te lezen. Daarnaast is het kennismaken met een vreemde taal ook altijd de kennismaking met een andere cultuur en denkwijze. Voor deze kring wordt geen bepaalde voorkennis verondersteld. Wel is het aan te bevelen om thuis wat tijd vrij te hebben om bepaalde zaken in het hoofd te zetten. Weet u niet zeker of het wat voor u is, komt u dan gerust een keer kijken, dat verplicht uiteraard tot niets. Belangstellenden kunnen zich bij ondergetekende aanmelden. Enige kennis van het Bargoens strekt tot aanbeveling. Heel wat Hebreeuwse woorden zijn daarin namelijk terechtgekomen. Iets jatten komt van het Hebreeuwse woord voor hand: jad. De bajes is afgeleid van het Hebreeuwse woord voor huis: bajit. Tof is het Hebreeuwse woord voor goed, jajem voor wijn, en mokum voor stad, de stad waar je wezen moet. Om kort te gaan: welke gabbers (vrienden) hebben het lef (hart) om zich in te schrijven voor deze kring?
Tot slot Tot slot een gedicht van Johannes (Jan) Luyken. Hij leefde van 1649 tot 1712. Hij was een veelzijdig man, die schilderde en uitmuntte in het maken van etsen. Ook op poëtisch gebied heeft hij veel gepresteerd. Zijn eerste dichtbundels gaan hoofdzakelijk over wijntje en Trijntje, muziek en gezang, vriendschap en lichamelijk genot. Hij schreef speelse, guitige gedichten, zoals deze regel laat zien:‘Schone, waar schuil je hier in 't groen? 'k Moet mij laven met een zoen voor de tipjes van uw lipjes, lipjes die als rooze-blaan zijn met een zoete dauw belaan’. Zijn leven was niet makkelijk. In zijn huwelijk werden 5 kinderen geboren, waarvan er 4 op jonge leeftijd stierven. Dat bracht hem tot een diep doorleefd geloof in Christus. Toen Luyken 26 jaar oud was, werd hij op krachtdadige wijze bekeerd. Hij brak met de wereld: “‘Vaarheen, vaarheen, o wereld, die ik minde, toen ik niet beter wist: Uw zijde snoer zal mij niet langer binden met schone schijn en list! Vaarheen, vaarheen, nu wil ik u begeven, eer dat gij, wereld, mij verlaat en als een schaduw henen gaat van 't aardse leven.” Na zijn bekering had Luyken zo’n spijt van zijn eerste gedichten, dat hij probeerde alle bundels op te kopen en te vernietigen, wat hem uiteraard niet lukte. In veel van zijn latere gedichten gaat het over het zien van God en de persoonlijke relatie met Jezus. Sommige van zijn gedichten hebben een wat mystieke trek. De titel van het volgende gedicht luidt: “De Gekruisigde”.
Wie hangt er zoo deerlijk, geteisterd, geschonden, roodvervig, vol striemen en wonden, tot smaadheid en schande, aan ' t kruishout verheven, wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?
Dat is er het slachtlam, zo heilig geboren, tot breking en lessing van toorn: Zijn misdaad is liefde, uitvloeien en geven, dat kost Hem, dat kost Hem zijn leven.
Kost dat Hem zijn leven, die schoonste van allen, hoe is Hij in ' t lijden vervallen? Of is het uit liefde, en heilige minnen; wat zal Hii daarmede dan winnen?
Wat anders als ' t leven der eeuwige zielen, die droevig in zonden vervielen; Opdat Hij de schulden verzoene en boete, Zo druipen Zijn handen en voeten.
Ach Jezus, beminde, hoogwaarde en schone, wie zal U, wie zal U belonen? Uw weldaad die gaat ons vermogen te boven, wij willen U prijzen en loven.
F.A.J. Heikoop
|